Allergieën in Europa

Allergieën in Europa volgen niet overal hetzelfde patroon: hooikoorts, voedselallergie en contactallergie verschillen per land en regio. Nederlandse klachten passen vaak bij gras, berk, huisstofmijt en contactallergenen zoals nikkel, parfumstoffen en conserveermiddelen. Zuid-Europa valt meer op door olijfpollen, cipres, Parietaria en LTP-gerelateerde voedselallergie. Finland versus Rusland laat zien dat leefomgeving, biodiversiteit en microbioom mogelijk grote invloed hebben.

Allergieën in Europa: per land vallen andere allergenen op

De vraag of allergieën per land verschillen lijkt eenvoudig, maar de literatuur laat vooral zien dat “allergie” geen één meetbare categorie is. Studies meten verschillende dingen: klachten, artsendiagnoses, positieve huidtesten, IgE-sensibilisatie, plaktestuitslagen, ziekenhuisopnames of huisartsregistraties. Daardoor kan een land in de ene studie hoog scoren op hooikoortsklachten, maar in een andere studie lager op formeel geregistreerde allergie.

Toch ontstaat er een duidelijk beeld als je de onderzoeken naast elkaar legt. Het gaat minder om de vraag welk land “de meeste allergie” heeft, en meer om de vraag welk allergeenlandschap bij een land of regio hoort.

Nederland past vooral bij het Noordwest-Europese patroon: gras, berk, huisstofmijt, kat, hond en veel voorkomende contactallergenen zoals nikkel, parfumstoffen, conserveermiddelen, rubberbestanddelen en haarverfstoffen. Zuid-Europa heeft daarbovenop een ander profiel, met olijfpollen, cipres, Parietaria en vaker LTP-gerelateerde voedselallergie. Engeland valt op door recente sterke aandacht voor voedselallergie in huisartsdata. Finland en Russisch Karelië vormen een bijna natuurlijk experiment: vergelijkbare geografische regio’s, maar grote verschillen in allergieprevalentie.

Allergieën in Europa: Nederland en Frankrijk vergeleken

Frankrijk is interessanter dan het op het eerste gezicht lijkt, omdat het allergologisch geen één profiel heeft. Het land vormt juist een overgang tussen het Noordwest-Europese patroon, dat we ook in Nederland zien, en het mediterrane patroon van Zuid-Europa. Daardoor komen in Frankrijk allergenen samen die in Nederland minder prominent zijn.

In de Europese studie van Bauchau en Durham werd bij Franse volwassenen een prevalentie van 24,5% met test vastgestelde allergische rhinitis gevonden. Dat ligt dicht bij het Verenigd Koninkrijk, waar 26,0% werd gerapporteerd, en hoger dan Spanje met 21,5% en Italië met 17,0%. Nederland was in deze studie niet apart opgenomen, maar het Nederlandse klachtenpatroon past duidelijker bij Noordwest-Europa: gras, berk, huisstofmijt, kat en hond.

Het verschil tussen Nederland en Frankrijk zit daarom vooral in de spreiding van allergenen. Nederland is klein, vlak en klimatologisch relatief homogeen. Daardoor zijn de belangrijkste inhalatieallergenen herkenbaar: berkenpollen in het voorjaar, graspollen in de late lente en zomer, huisstofmijt vooral bij binnenklachten en dierenallergenen afhankelijk van blootstelling. Frankrijk heeft veel grotere klimatologische en botanische verschillen. Noord-Frankrijk lijkt meer op België en Nederland, terwijl Zuid-Frankrijk richting het mediterrane profiel verschuift.

Dat zie je vooral bij pollen. In Nederland zijn berk en gras de klassieke hooikoortsallergenen. In Zuid-Frankrijk spelen daarnaast cipres en andere Cupressaceae een grotere rol. Dat kan een ander klachtenseizoen geven, soms al in de winter of vroege lente, terwijl Nederlandse patiënten hooikoorts vooral met voorjaar en zomer associëren. Ook ambrosia is in delen van Frankrijk belangrijker dan in Nederland, met name in de Rhônevallei en omliggende regio’s. Ambrosia geeft juist later in het seizoen klachten, vaak richting nazomer en vroege herfst. Frankrijk laat daardoor goed zien dat “hooikoorts” niet één seizoen en niet één allergeen betekent.

Ook bij voedselallergie zit Frankrijk meer tussen noord en zuid in. In Noordwest-Europa, waaronder Nederland, wordt fruit- en notenklacht bij volwassenen vaak gezien als berkenpollen-gerelateerd pollen-food-syndroom. In zuidelijkere regio’s wordt vaker aandacht besteed aan stabielere planteneiwitten, zoals LTP’s, die onder andere bij perzik en andere vruchten relevant kunnen zijn. Frankrijk ligt daar als overgangsgebied tussenin: het noorden lijkt meer op het Nederlandse profiel, terwijl het zuiden meer mediterrane kenmerken kan hebben.

Bij contactallergie is het verschil minder door klimaat bepaald en meer door productblootstelling. Frankrijk is vooral interessant door de goed gedocumenteerde stijging van contactallergie voor methylisothiazolinone, afgekort MI. Franse REVIDAL-GERDA-data lieten zien dat positieve plaktesten op MI tussen 2010 en 2012 sterk toenamen. MI zat onder andere in cosmetica, schoonmaakproducten, vochtige doekjes en verfproducten. Dit was geen exclusief Frans probleem, maar Frankrijk is wel een goed voorbeeld van hoe snel een contactallergeen kan opkomen wanneer een conserveermiddel breed in producten wordt gebruikt.

Nederland versus Spanje: olijfpollen, huisstofmijt en mediterrane voedselallergie

Spanje wijkt duidelijker af van Nederland dan Frankrijk. Dat komt door klimaat, flora, voeding en kustgebieden.

In de Europese rhinitisstudie lag Spanje op 21,5% met door een test vastgestelde allergische rhinitis bij volwassenen. Dat cijfer lijkt niet extreem anders dan Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk, maar het onderliggende profiel is anders. In Nederland denken we bij seizoensklachten vaak aan berk in het voorjaar en gras in late lente en zomer. In Spanje zijn olijfpollen in olijfrijke regio’s een belangrijk allergeen. Daarnaast spelen grassen en cipres mee, en in vochtige kustgebieden zijn huisstofmijt en schimmels relevant.

Voor een Nederlandse patiënt kan dat veel uitmaken. Iemand die in Nederland redelijk goed is ingesteld, kan tijdens een vakantie in Spanje toch duidelijke klachten krijgen door een ander pollenseizoen of andere pollen. Andersom kan iemand met klachten in Spanje in Nederland minder reageren als het belangrijkste Spaanse allergeen hier nauwelijks voorkomt.

Spanje is ook interessant door voedselallergie. In Zuid-Europa wordt vaker geschreven over LTP-allergie. LTP staat voor lipid transfer protein. Het bekendste voorbeeld is Pru p 3 uit perzik. Deze eiwitten zijn relatief stabiel tegen hitte en vertering. Daardoor kunnen ze ernstigere of systemische reacties geven dan het klassieke pollen-food-syndroom dat in Nederland vaak bij berkenpollenallergie wordt gezien.

In Nederland zien we bij volwassenen regelmatig jeuk in de mond of keel bij appel, hazelnoot, kers of perzik, vaak als kruisreactie bij berkenpollenallergie. Dat is meestal gekoppeld aan PR-10-eiwitten, zoals Bet v 1 uit berk en verwante eiwitten in fruit. In Spanje en Italië kan fruitallergie vaker door LTP worden gedragen. Dat is klinisch relevant, omdat de ernst en risicobeoordeling anders kunnen zijn.

Een ander Spaans voorbeeld is Anisakis. Anisakis is een parasiet die in zeevis kan voorkomen. In landen waar rauwe, gemarineerde of onvoldoende verhitte vis vaker wordt gegeten, is Anisakis als oorzaak van allergische reacties relevanter. Spanje wordt in de literatuur vaak genoemd als land waar Anisakis-allergie relatief belangrijk is. In Nederland bestaat visallergie natuurlijk ook, maar Anisakis staat hier minder centraal in de dagelijkse allergiediagnostiek.

In Spanje wordt Anisakis-allergie vaker genoemd dan in Nederland. Daarbij is het belangrijk dat Anisakis niet hetzelfde is als een gewone visallergie. Visallergie berust meestal op parvalbumine, terwijl Anisakis een parasiet is met eigen allergenen. Eén daarvan is tropomyosine, Ani s 3, dat theoretisch kan kruisreageren met tropomyosine uit huisstofmijt en schaaldieren zoals garnaal. In de praktijk zijn specifiekere Anisakis-componenten, zoals Ani s 1 en Ani s 7, vaak belangrijker om echte Anisakis-sensibilisatie te onderscheiden van brede kruisreactiviteit.

De kern van Nederland versus Spanje: bij inhalatieallergie verschuift het profiel van berk/gras naar olijf, cipres, huisstofmijt en mediterrane pollen; bij voedselallergie verschuift de aandacht van berkenpollen-gerelateerde kruisreacties naar LTP en specifieke regionale blootstellingen zoals Anisakis.

Nederland versus Italië: mediterrane pollen, Parietaria en LTP-allergie

Italië kwam in de studie van Bauchau en Durham uit op 17,0% met test vastgestelde allergische rhinitis. Dat is lager dan Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk in dezelfde studie. Het zou echter te simpel zijn om daaruit te concluderen dat Italië “minder allergisch” is.

Italië heeft juist een uitgesproken regionaal allergieprofiel. In delen van Italië is Parietaria een belangrijk allergeen. Parietaria is een plant uit de brandnetelfamilie en is in mediterrane gebieden veel relevanter dan in Nederland. Ook olijfpollen, cipres en grassen spelen een rol. Het Italiaanse profiel lijkt daardoor meer op Spanje en Zuid-Frankrijk dan op Nederland.

Voor voedselallergie is Italië, net als Spanje, belangrijk in de literatuur over LTP. Perzik, andere Rosaceae-vruchten, noten en sommige plantaardige voedingsmiddelen kunnen hierbij betrokken zijn. Dit maakt het Italiaanse patroon anders dan het Nederlandse patroon, waarin berkenpollen-gerelateerde kruisreacties bij fruit en noten vaak op de voorgrond staan.

Bij contactallergie valt Italië vooral op door nikkel. In Europese reviews wordt vaak beschreven dat nikkelallergie in Zuid-Europa relatief belangrijk blijft. Mogelijke verklaringen zijn sieradengebruik, piercings, blootstelling via metalen voorwerpen en verschillen in historische regelgeving of naleving. Tegelijk moet je oppassen met de term “metaalallergie”. Nikkel, cobalt en chroom gedragen zich epidemiologisch niet identiek.

Een voorbeeld daarvan is cobalt. In Europese populatiestudies naar contactallergie werd voor cobalt een ander patroon gezien dan voor nikkel. Nederland kan voor cobalt relatief hoger uitkomen, terwijl Italië voor cobalt juist lager kan scoren. De verklaring ligt waarschijnlijk niet in één factor, maar in verschillende blootstellingsroutes: sieraden, leer, cement, metaalbewerking, pigmenten, beroepsblootstelling en co-sensitisatie.

De vergelijking Nederland-Italië laat dus zien dat een lager rhinitiscijfer in één studie niet betekent dat allergologie minder relevant is. Het betekent vooral dat het Italiaanse profiel anders is: meer mediterrane pollen, meer LTP-context en een eigen contactallergiepatroon.

Allergieën in Europa: Nederland en Engeland/VK vergeleken

Het Verenigd Koninkrijk lijkt qua inhalatieallergie deels op Nederland. Gras en berk zijn belangrijk, net als huisstofmijt en dierenallergenen. In de Europese rhinitisstudie werd voor het VK 26,0% met test vastgestelde allergische rhinitis gevonden, de hoogste waarde van de vier genoemde landen in die analyse.

Wat Engeland de laatste jaren vooral opvallend maakt, is voedselallergie. Een grote analyse van Engelse huisartsdata liet zien dat geregistreerde voedselallergie tussen 2008 en 2018 toenam van 0,4% naar 1,1% van de populatie. Bij kinderen jonger dan vijf jaar lag de prevalentie in 2018 rond 4%. Dat is opvallend, maar de interpretatie vraagt nuance.

Een huisartsregistratie meet niet alleen biologische toename. Het meet ook herkenning, bewustzijn, diagnostiek, codering en zorggebruik. In Engeland is voedselallergie maatschappelijk sterk zichtbaar door anafylaxie, adrenalinepennen, schoolbeleid en etikettering. Daardoor kan registratie stijgen doordat patiënten en artsen alerter zijn geworden. Tegelijk is er waarschijnlijk ook een echte toename geweest, vooral bij jonge kinderen.

Een andere Britse studie, uitgevoerd in opdracht van de Food Standards Agency, rapporteerde dat ongeveer 6% van de Britse volwassenen een klinisch bevestigde voedselallergie had. Dat cijfer ligt hoger dan huisartsregistraties, omdat de methode anders is. Juist dat verschil is leerzaam: “voedselallergie” kan in data variëren afhankelijk van of je vraagt naar zelfrapportage, huisartsregistratie, klinische beoordeling of provocatie.

Voor Nederland is de overeenkomst vooral zichtbaar bij pollen-food-syndroom. In beide landen kunnen volwassenen met boompollenallergie klachten krijgen bij appel, hazelnoot, perzik of kers. Dat is vaak anders dan het mediterrane LTP-profiel, waarbij reacties op fruit soms ernstiger of systemischer kunnen verlopen.

Bij contactallergie lijkt het VK weer sterk op Nederland: nikkel, fragrance mix, MI/MCI, PPD uit haarverf, rubberchemicaliën en acrylaten komen terug in patchtestpopulaties. De verschillen zitten vooral in registratie, beroepsgroepen, cosmetica- en productgebruik.

Allergieën in Europa: waarom de vergelijking in Finland en Rusland zo belangrijk is

De vergelijking tussen Finland en Russisch Karelië is een van de meest interessante onderzoeksverhalen in de allergologie. Karelië ligt aan beide zijden van de grens tussen Finland en Rusland. De regio’s liggen dicht bij elkaar en delen deels genetische en geografische kenmerken, maar de leefomgeving verschilt sterk.

Aan de Finse kant is de leefstijl sterker geïndustrialiseerd en geürbaniseerd. Aan de Russische kant was in de onderzochte periodes meer sprake van een traditionelere, ruralere leefomgeving, met meer contact met natuur, dieren, bodem en microbiële diversiteit.

In studies werd gevonden dat allergie en sensibilisatie veel vaker voorkwamen aan de Finse zijde. In samenvattingen van de Karelia-onderzoekslijn wordt beschreven dat hooikoorts bij volwassenen aan de Finse kant rond 25% lag, tegenover minder dan 5% aan de Russische kant. Bij kinderen en jongeren werd aan Finse zijde ook vaker berkenpollensensibilisatie gevonden, terwijl berkenbomen aan beide kanten van de grens voorkomen.

Dat maakt de bevinding sterk: de aanwezigheid van berk alleen verklaart het verschil niet. Als het allergeen in beide gebieden aanwezig is, maar sensibilisatie en klachten vooral aan één kant ontstaan, dan moet de leefomgeving van het immuunsysteem meewegen.

Onderzoekers koppelen dit aan de biodiversiteits- en microbioomhypothese. Die stelt dat een rijkere natuurlijke omgeving en meer contact met diverse micro-organismen invloed kunnen hebben op immuunregulatie. Niet als simpele boodschap dat “vies goed is”, maar als bredere observatie: verlies van biodiversiteit, verstedelijking, minder buitencontact, ander dieet, antibioticagebruik en minder microbiële variatie kunnen samenhangen met meer allergische en inflammatoire aandoeningen.

Voor Nederland is dit bijzonder relevant. Nederland is dichtbevolkt, sterk verstedelijkt en veel mensen leven grotendeels binnenshuis. De Karelia-studies suggereren dat allergie niet alleen een kwestie is van erfelijke aanleg of “veel pollen”, maar van de interactie tussen aanleg, omgeving en microbiële blootstelling.

Contactallergieën in Europa: welke verschillen zien studies tussen landen?

Contactallergieën verschillen tussen Europese landen minder sterk dan pollenallergieën. Dezelfde hoofdallergenen keren in vrijwel alle Europese patchteststudies terug: nikkel, cobalt, chroom, parfumstoffen, conserveermiddelen zoals MI/MCI, rubberchemicaliën, PPD uit haarverf en acrylaten. Het verschil zit vooral in blootstelling: sieraden, beroep, cosmetica, haarverf, nagelproducten, cement, leer, verfproducten en regelgeving verschillen per land of regio.

Voor nikkel is de geografische vergelijking het duidelijkst. Zuid-Europese landen laten in verschillende studies relatief vaker een hoog nikkelbeeld zien dan Noord-Europese landen. Dat past bij verschillen in sieradengebruik, piercings, metalen accessoires en historische blootstelling. Ook regelgeving speelt mee. In landen waar nikkelafgifte uit consumentenproducten eerder en strenger werd beperkt, zoals in Scandinavië, nam vooral bij jongere generaties het aantal nieuwe nikkelsensibilisaties af. Nikkel is daarmee een goed voorbeeld van een contactallergeen waarbij cultuur, mode én regelgeving samen het risico bepalen.

In Europese populatiedata viel Nederland relatief op door cobalt-sensitisatie, terwijl Italië lager uitkwam. Cobalt en chroom kunnen samenhangen met leer, cement, pigmenten, metaalbewerking, werkschoenen, handschoenen en andere beroepsmatige blootstelling. Chroom is daarbij het klassieke voorbeeld van regelgeving: beroepsgebonden chroomallergie door cement nam af nadat chromaat in cement werd teruggedrongen. Later bleef chroom vooral relevant bij leer, schoenen en werkschoenen.

Bij parfumstoffen is het landverschil minder scherp. Parfumallergie komt in heel Europa voor, omdat parfumstoffen breed aanwezig zijn in cosmetica, deodorants, wasmiddelen, huidverzorging en geparfumeerde huishoudproducten. Hier is de vergelijking dus minder “Nederland versus Frankrijk” en meer “hoog gebruik van geparfumeerde producten versus weinig gebruik”. Wel kan parfumallergie in patchtestpopulaties meer opvallen in landen of patiëntgroepen met veel cosmetica- en huidverzorgingsgebruik, vooral bij gelaats-, hals-, oksel- en handeczeem. De verklaring is dus vooral productgebruik, niet klimaat of plantenblootstelling.

PPD is wél duidelijk blootstellings- en cultuurgebonden. PPD zit in oxidatieve haarverf, vooral donkere haarverf, en kan ook voorkomen in tijdelijke zwarte henna-tatoeages. Daardoor is PPD-allergie aannemelijker in groepen waar donkere haarverf vaak wordt gebruikt, bij kappers en bij mensen die eerder zwarte henna hebben gehad. Geografisch gaat het dan minder om één Europees land met “meer PPD”, en meer om regio’s en situaties met hogere blootstelling: mediterrane en toeristische gebieden waar zwarte henna-tatoeages worden aangeboden, gemeenschappen waar henna of donkere haarverf cultureel gebruikelijker is, en beroepsgroepen zoals kappers. Bij kinderen en jongeren is een zwarte henna-tatoeage op vakantie een bekende route naar PPD-sensibilisatie, waarna latere haarverfreacties ernstiger kunnen verlopen.

Acrylaten vormen een recenter en ander soort patroon. Hier gaat het niet zozeer om een klassiek noord-zuidverschil, maar om landen en periodes waarin kunstnagels, gelnagels, nagelstudio’s, wimperlijm, medische lijmen en tandheelkundige materialen sterk toenemen. HEMA en andere methacrylaten worden vooral gezien bij handeczeem rond nagelproducten, bij nagelstylisten, schoonheidsspecialisten, tandheelkundig personeel en gebruikers van kunstnagels of gelnagels. Een land met meer gelnagelgebruik, meer nagelstudio’s of veel doe-het-zelfkits kan daardoor waarschijnlijk meer acrylatenallergie zien, maar de literatuur koppelt dit meestal sterker aan beroep en producttrend dan aan harde landpercentages.

Conserveermiddelen, vooral MI en MCI/MI, laten juist goed zien hoe een Europese blootstellingsgolf ontstaat. Toen MI breder werd gebruikt in cosmetica, vochtige doekjes, schoonmaakmiddelen en verf, stegen positieve plaktesten in meerdere landen. Frankrijk is hierbij goed gedocumenteerd, maar dezelfde trend werd ook in onder andere het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België en Scandinavische landen beschreven. Dit is dus geen typisch Frans allergeen, maar een Europees voorbeeld van hoe productformulering ineens tot een nieuwe contactallergie-epidemie kan leiden.

Waarom allergiecijfers per Europees land moeilijk te vergelijken zijn

Een veelgemaakte fout is om percentages uit verschillende studies naast elkaar te zetten alsof ze exact hetzelfde meten. Dat doen ze meestal niet.

Bij hooikoorts kan een studie vragen: “Heeft u hooikoorts?” Een andere studie eist klachten én een positieve allergietest. Een derde studie gebruikt huisartsdiagnoses. Die drie methoden geven verschillende percentages.
Bij voedselallergie is dat nog sterker. Zelfgerapporteerde voedselallergie is meestal veel hoger dan bewezen voedselallergie. Veel mensen vermijden voeding door intolerantie, irritatie, buikklachten of onzekerheid, zonder dat er een IgE-gemedieerde voedselallergie is. Studies met provocatietesten zijn betrouwbaarder, maar duurder en zeldzamer.

Bij contactallergie is er een ander probleem. Patchtestdata komen vaak uit dermatologische klinieken. Dat zijn mensen met klachten, niet de algemene bevolking. Een percentage positieve plaktesten in een patchtestcentrum is dus geen bevolkingsprevalentie. Populatiestudies zijn sterker, maar minder beschikbaar.

Conclusie: allergieën in Europa verschillen vooral door blootstelling

Europese studies laten zien dat allergieën niet simpelweg overal hetzelfde zijn. Nederland past vooral bij het Noordwest-Europese profiel met gras, berk, huisstofmijt, dierenallergenen en veelvoorkomende contactallergenen zoals nikkel, parfumstoffen en conserveermiddelen. Frankrijk ligt daar deels dichtbij, maar heeft sterker regionale pollenverschillen. Spanje en Italië onderscheiden zich door olijfpollen, cipres, Parietaria, LTP-gerelateerde voedselallergie en in Spanje ook Anisakis. Engeland valt op door de zichtbaarheid en registratie van voedselallergie. Finland versus Russisch Karelië laat zien dat biodiversiteit, microbioom en leefstijl waarschijnlijk veel invloed hebben.

De grootste verklaring is blootstelling. Bij inhalatieallergie gaat het om pollen, klimaat, huisstofmijt, dieren en luchtvervuiling. Bij voedselallergie gaat het om dieet, kruisreactiviteit, introductieleeftijd en regionale voedingsmiddelen. Bij contactallergie gaat het om cosmetica, sieraden, beroep, conserveermiddelen, haarverf, acrylaten en regelgeving.

Daarom is goede allergiediagnostiek niet alleen een test, maar een interpretatie van testuitslag én verhaal. Het gaat niet om de vraag of iemand ergens positief op test, maar of die uitslag past bij seizoen, land, beroep, producten, voeding en klachtenpatroon.

Bij Allergie Centra Nederland kijken we daarom naar de combinatie van anamnese, blootstelling en passende diagnostiek. Juist bij patiënten met klachten in meerdere landen, onbegrepen eczeem, wisselende hooikoortsklachten of verdenking op contactallergie kan die context het verschil maken.

Ook benieuwd hoe dit zit met Azie? Lees hierover meer: Allergieën in Zuidoost-Azië: hoe verschillen ze van die in Europa?

Veelgestelde vragen over allergieën in Europa

Welke allergieën zijn typisch Nederlands?

Nederland past vooral bij een Noordwest-Europees profiel. Gras- en berkenpollen, huisstofmijt, kat en hond komen vaak terug bij inhalatieallergie. Bij contactallergie zijn nikkel, parfumstoffen, conserveermiddelen, rubberbestanddelen, PPD en acrylaten belangrijk. Dat betekent niet dat deze allergenen uniek Nederlands zijn, maar wel dat ze goed passen bij de Nederlandse omgeving en blootstelling.

Waarom zijn Spanje en Italië allergologisch anders?

Spanje en Italië hebben een mediterrane flora en een ander voedingspatroon. Daardoor spelen olijfpollen, cipres, Parietaria en LTP-gerelateerde voedselallergie een grotere rol. Vooral perzik en andere plantaardige voedingsmiddelen kunnen bij LTP-allergie ernstiger reacties geven dan het klassieke milde pollen-food-syndroom dat in Nederland vaker bij berkenpollenallergie past.

Waarom is Finland versus Rusland zo’n belangrijk voorbeeld?

De Karelia-studies zijn bijzonder omdat Finse en Russische Kareliërs geografisch dicht bij elkaar wonen, maar sterk verschillen in allergieprevalentie. Aan de Finse kant werden veel meer allergie en sensibilisatie gevonden dan aan de Russische kant. Dat ondersteunt de hypothese dat biodiversiteit, microbioom, leefstijl en urbanisatie belangrijk zijn voor allergieontwikkeling.

Is contactallergie per land anders?

De belangrijkste contactallergenen lijken in Europa sterk op elkaar: nikkel, parfumstoffen, conserveermiddelen, cobalt, chroom, rubberchemicaliën, PPD en acrylaten. De verschillen zitten vooral in blootstelling. Sieraden, piercings, cosmetica, haarverf, werk, verfproducten, schoenen, handschoenen en regelgeving bepalen welke allergenen in een land of periode vaker opvallen.

Waarom verschillen voedselallergiecijfers zo sterk per studie?

Omdat studies niet hetzelfde meten. Zelfgerapporteerde voedselallergie is meestal hoger dan bewezen voedselallergie. Huisartsregistraties meten alleen bekende en gecodeerde diagnoses. Klinische studies met beoordeling of provocatie zijn specifieker, maar kleiner en duurder. Daarom moet bij voedselallergie altijd worden gekeken naar methode, leeftijdsgroep en definitie.

Bronnenlijst

Alinaghi, F., Bennike, N. H., Egeberg, A., Thyssen, J. P., & Johansen, J. D. (2019). Prevalence of contact allergy in the general population: A systematic review and meta-analysis. Contact Dermatitis, 80(2), 77–85. https://doi.org/10.1111/cod.13119

Audicana, M. T., & Kennedy, M. W. (2008). Anisakis simplex: From obscure infectious worm to inducer of immune hypersensitivity. Clinical Microbiology Reviews, 21(2), 360–379. https://doi.org/10.1128/CMR.00012-07

Bauchau, V., & Durham, S. R. (2004). Prevalence and rate of diagnosis of allergic rhinitis in Europe. European Respiratory Journal, 24(5), 758–764. https://doi.org/10.1183/09031936.04.00013904

de Groot, A. C. (2013). Side-effects of henna and semi-permanent “black henna” tattoos: A full review. Contact Dermatitis, 69(1), 1–25.

Diepgen, T. L., Ofenloch, R. F., Bruze, M., Bertuccio, P., Cazzaniga, S., Coenraads, P. J., Elsner, P., Gonçalo, M., Svensson, Å., Naldi, L., & European Dermato-Epidemiology Network. (2016). Prevalence of contact allergy in the general population in different European regions. British Journal of Dermatology, 174(2), 319–329.

Hanski, I., von Hertzen, L., Fyhrquist, N., Koskinen, K., Torppa, K., Laatikainen, T., Karisola, P., Auvinen, P., Paulin, L., Mäkelä, M. J., Vartiainen, E., Kosunen, T. U., Alenius, H., & Haahtela, T. (2012). Environmental biodiversity, human microbiota, and allergy are interrelated. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 109(21), 8334–8339. https://doi.org/10.1073/pnas.1205624109

Hosteing, S., Meyer, N., Waton, J., Barbaud, A., Bourrain, J. L., Raison-Peyron, N., Le Coz, C. J., Assier, H., Avenel-Audran, M., Ferrier-Le Bouëdec, M. C., Castelain, M., & Groupe d’Études et de Recherche en Dermato-Allergologie. (2014). Outbreak of contact sensitization to methylisothiazolinone: An analysis of French data from the REVIDAL-GERDA network. Contact Dermatitis, 70(5), 262–269.

Matricardi, P. M., Kleine-Tebbe, J., Hoffmann, H. J., Valenta, R., Hilger, C., Hofmaier, S., Aalberse, R. C., Agache, I., Asero, R., Ballmer-Weber, B., Barber, D., Beyer, K., Biedermann, T., Bilò, M. B., Blank, S., Bohle, B., Bosshard, P. P., Breiteneder, H., Brough, H. A., … & EAACI Molecular Allergology User’s Guide Task Force. (2016). EAACI molecular allergology user’s guide. Pediatric Allergy and Immunology, 27(Suppl. 23), 1–250. https://doi.org/10.1111/pai.12563

Ruokolainen, L., Paalanen, L., Karkman, A., Laatikainen, T., von Hertzen, L., Vlasoff, T., Markelova, O., Masyuk, V., Auvinen, P., Paulin, L., Alenius, H., Fyhrquist, N., Haahtela, T., & Hanski, I. (2017). Significant disparities in allergy prevalence and microbiota between the young people in Finnish and Russian Karelia. Clinical & Experimental Allergy, 47(5), 665–674. https://doi.org/10.1111/cea.12895

Schwensen, J. F., Uter, W., Bruze, M., Svedman, C., Goossens, A., Wilkinson, M., Giménez-Arnau, A., Gonçalo, M., Andersen, K. E., Paulsen, E., Agner, T., Foti, C., Aalto-Korte, K., Johansen, J. D., & European Surveillance System on Contact Allergies. (2017). The epidemic of methylisothiazolinone: A European prospective study. Contact Dermatitis, 76(5), 272–279.

Thyssen, J. P., White, J. M. L., & European Society of Contact Dermatitis. (2008). Epidemiological data on consumer allergy to p-phenylenediamine. Contact Dermatitis, 59(6), 327–343.

Thyssen, J. P., Linneberg, A., Menné, T., & Johansen, J. D. (2007). The epidemiology of contact allergy in the general population: Prevalence and main findings. Contact Dermatitis, 57(5), 287–299.

Turner, P. J., et al. (2024). Trends in food allergy prevalence and anaphylaxis management in England using primary care records. The Lancet Public Health.

Denkt u dat u een allergie heeft?

Bij aanhoudende klachten is het belangrijk om dit te bespreken met uw huisarts of specialist. Met een verwijzing kunt u bij ons terecht voor allergieonderzoek.

We helpen u graag verder — zonder lange wachttijden.