Wat is een beroepsallergie in de zorg?
Tijdens het werken in de zorg komt de huid vaak en herhaaldelijk in contact met verschillende stoffen en materialen. Welke blootstellingen relevant zijn, verschilt sterk per functie. Een verpleegkundige werkt bijvoorbeeld met andere producten dan een tandartsassistent, operatieassistent of laboratoriummedewerker.
Wanneer het afweersysteem specifiek op een van deze stoffen reageert, kan sprake zijn van een beroepsallergie. Daarbij kunnen zowel directe allergieën (type I) als vertraagde contactallergieën (type IV) voorkomen.
Daarnaast komt in de zorg veel irritatief contacteczeem voor. Hierbij ontstaat eczeem doordat de huidbarrière herhaaldelijk wordt beschadigd, bijvoorbeeld door water, zeep, reinigingsmiddelen en langdurig handschoengebruik. Bij irritatief contacteczeem is geen sprake van een allergie.
Welke klachten kunnen ontstaan?
De klachten hangen af van het soort blootstelling en het type reactie.
Bij huidklachten kunnen bijvoorbeeld voorkomen:
- roodheid;
- jeuk;
- schilfering;
- kloofjes;
- kleine blaasjes;
- een droge of pijnlijke huid;
- handeczeem.
Bij een directe allergische reactie kunnen ook klachten ontstaan zoals:
- galbulten;
- zwelling;
- jeuk;
- neus- en oogklachten;
- hoesten;
- piepen of benauwdheid.
Een aanwijzing voor een relatie met het werk kan zijn dat klachten tijdens werkdagen toenemen en tijdens langere periodes vrij verminderen. Dit bewijst op zichzelf echter niet dat sprake is van een beroepsallergie. Tijdens vrije dagen verandert vaak ook de mate van huidbelasting.
Welke stoffen kunnen klachten veroorzaken?
In de zorg worden veel verschillende producten gebruikt. Welke stoffen voor u relevant zijn, hangt af van uw werkzaamheden en de producten waarmee u daadwerkelijk in contact komt.
Handschoenen en rubberbestanddelen
Klachten door handschoenen kunnen verschillende oorzaken hebben.
Een directe latexallergie is een type-I-allergie voor eiwitten uit natuurlijke rubberlatex. De klachten ontstaan meestal snel en kunnen bestaan uit jeuk, galbulten, zwelling of luchtwegklachten.
Daarnaast kan een vertraagde contactallergie bestaan voor chemische stoffen die tijdens de productie van rubberhandschoenen worden gebruikt. Voorbeelden zijn bepaalde thiuramen, carbamaten, mercaptobestanddelen en guanidines.
Ook nitrilhandschoenen kunnen dergelijke rubberhulpstoffen bevatten. Nitril betekent daarom niet automatisch dat een handschoen bij iedere vorm van rubberallergie geschikt is.
Tot slot kunnen handschoenen ook zonder allergie klachten geven. Langdurig dragen zorgt voor warmte, transpiratie en afsluiting van de huid en kan bestaand handeczeem verergeren.
Lees meer op de pagina over latexallergie
Reinigings- en desinfectiemiddelen
Veelvuldig handen wassen en contact met reinigingsproducten kunnen de huidbarrière beschadigen en irritatief contacteczeem veroorzaken. Ook langdurig gebruik van vloeistofdichte handschoenen draagt bij aan huidbelasting.
Daarnaast kunnen bepaalde producten stoffen bevatten waarvoor een contactallergie bestaat, zoals conserveermiddelen, geurstoffen of specifieke bestanddelen van desinfectie- en reinigingsproducten.
Het gaat daarom niet alleen om de vraag of iemand bijvoorbeeld ‘op handdesinfectie reageert’, maar om welk product wordt gebruikt en welke stoffen daarin aanwezig zijn.
Acrylaten en methacrylaten
Acrylaten en methacrylaten komen onder andere voor in tandheelkundige materialen, bepaalde medische lijmen, kunststoffen en sommige orthopedische toepassingen.
Beroepsmatige blootstelling is vooral relevant wanneer met niet of onvoldoende uitgeharde materialen wordt gewerkt. Een contactallergie kan zich bijvoorbeeld uiten als eczeem aan de vingers of handen.
Medische producten en andere werkstoffen
Afhankelijk van de functie kan ook contact bestaan met bijvoorbeeld:
- pleisters en medische kleefmiddelen;
- wondverzorgingsproducten;
- huidverzorgingsproducten;
- bepaalde geneesmiddelen;
- laboratoriumchemicaliën;
- fixatieven;
- schoonmaakmiddelen;
- medische hulpmiddelen.
Niet iedere stof waarmee iemand werkt hoeft getest te worden. De combinatie van klachten, werkzaamheden en blootstelling bepaalt welke stoffen mogelijk relevant zijn.
Irritatie of allergie?
Dit onderscheid is vooral bij zorgmedewerkers belangrijk.
Bij irritatief contacteczeem wordt de huid rechtstreeks beschadigd door bijvoorbeeld veelvuldig contact met water, zeep, reinigingsmiddelen, wrijving of occlusie. Hiervoor hoeft geen allergie aanwezig te zijn.
Bij allergisch contacteczeem heeft het afweersysteem een specifieke gevoeligheid voor een bepaalde stof ontwikkeld. Dit betreft meestal een vertraagde type-IV-reactie.
Beide vormen kunnen ook tegelijkertijd voorkomen. Een positieve allergietest betekent daarom niet automatisch dat daarmee de volledige oorzaak van het eczeem is gevonden. De uitslag moet altijd worden beoordeeld in combinatie met de blootstelling en het klachtenpatroon.
Type I- en type IV-allergie in de zorg
Binnen de zorg kunnen zowel directe als vertraagde allergieën voorkomen.
Type I-allergie
Bij een type-I-allergie ontstaan klachten meestal binnen minuten tot enkele uren na blootstelling. Een directe allergie voor natuurlijke rubberlatex is hiervan een voorbeeld.
Afhankelijk van de verdenking kan een priktest worden gebruikt om een directe allergie te onderzoeken. Een priktest en plaktest onderzoeken verschillende soorten allergische reacties.
Type IV-allergie
Een contactallergie is meestal een vertraagde type-IV-allergie. Klachten ontstaan doorgaans later en uiten zich vooral als eczeem.
In de zorg kunnen bijvoorbeeld rubberhulpstoffen, conserveermiddelen, acrylaten en andere werkgerelateerde stoffen relevant zijn.
Een type-IV-allergie wordt onderzocht met een plakproef.
Onderzoek bij Allergie Centra Nederland
Bij Allergie Centra Nederland wordt op basis van uw klachten, werkzaamheden, verwijzing en mogelijke blootstellingen beoordeeld welk onderzoek passend is.
Daarbij kijken we onder andere naar:
- welke klachten u heeft en waar deze optreden;
- wanneer de klachten ontstaan;
- uw beroep en specifieke werkzaamheden;
- verschil tussen werkdagen en vrije dagen;
- de handschoenen die u gebruikt;
- huid-, reinigings- en desinfectieproducten;
- medische materialen waarmee u werkt;
- eerdere of bestaande huidproblemen.
Op basis hiervan bepalen we welke vorm van allergieonderzoek relevant is en welke stoffen daarbij onderzocht kunnen worden. Niet iedere zorgmedewerker heeft dezelfde blootstellingen. Daarom wordt het onderzoek zoveel mogelijk afgestemd op uw werkzaamheden en klachten.
Producten van het werk beoordelen
Bij beroepsallergie is de exacte blootstelling vaak belangrijker dan alleen de functienaam.
Daarom kunnen bijvoorbeeld nuttig zijn:
- productnamen;
- foto’s van verpakkingen en etiketten;
- ingrediëntenlijsten;
- merk en type handschoenen;
- Safety Data Sheets (SDS) of veiligheidsinformatiebladen.
Deze informatie kan waar relevant vooraf via het online assessment worden aangeleverd.
Een veiligheidsinformatieblad kan helpen om mogelijke blootstellingen te achterhalen, maar bevat niet noodzakelijk iedere stof die voor contactallergie van belang kan zijn.
Plakproeven
Bij een verdenking op een vertraagde contactallergie kunnen plakproeven worden uitgevoerd.
Afhankelijk van uw werkzaamheden kan naast een basisserie worden gekeken naar aanvullende allergenen die passen bij de beroepsmatige blootstelling, bijvoorbeeld rubberbestanddelen, acrylaten of andere relevante werkstoffen.
Priktesten
Wanneer de klachten juist snel na blootstelling ontstaan en passen bij een type-I-allergie, kan worden beoordeeld of een priktest zinvol en veilig kan worden uitgevoerd.
We testen dus niet standaard alle mogelijke stoffen. Welke diagnostiek wordt ingezet, hangt af van het klachtenpatroon en de daadwerkelijke blootstelling tijdens het werk.