Welke stoffen belangrijk zijn bij onderzoek naar contactallergie verandert door de jaren heen. Ingrediënten worden vaker of juist minder gebruikt, Europese regelgeving verandert en nieuwe contactallergenen komen in beeld. Een grote Europese studie uit 2026 laat zien welke aanvullende allergenen momenteel opvallend vaak een positieve plaktest geven. Vooral hydroperoxiden van linalool en limonene, benzisothiazolinone (BIT), natriummetabisulfiet en glucosiden vallen op.
Minstens zo belangrijk is een tweede uitkomst van het onderzoek: een positieve plakproef betekent niet automatisch dat die stof ook de oorzaak is van het eczeem. De daadwerkelijke blootstelling en klinische relevantie moeten altijd worden meegewogen.
Heeft u terugkerend eczeem en wordt contactallergie vermoed?
Lees meer over contactallergie en hoe een plakproef wordt uitgevoerd.
Groot Europees onderzoek naar contactallergenen
Onderzoekers verzamelden plaktestgegevens van 54 afdelingen in 13 Europese landen.
In 2021 en 2022 werden 18.832 patiënten getest met de European Baseline Series, de Europese basisreeks voor contactallergie. Daarnaast werden 17.359 patiënten getest met één of meer van 19 aanvullende testpreparaten.
Het doel was onder andere te beoordelen welke aanvullende allergenen voldoende belangrijk zijn om te blijven volgen of mogelijk onderdeel te maken van de Europese basisreeks.
De resultaten werden in 2026 gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Contact Dermatitis.
Belangrijk: de deelnemers waren patiënten bij wie al een verdenking op allergisch contacteczeem bestond. De percentages uit dit onderzoek zeggen daarom niet hoeveel procent van alle Nederlanders of Europeanen allergisch is voor deze stoffen.
Welke contactallergenen vielen het meest op?
Van de aanvullende allergenen die werden onderzocht, werden de meeste positieve plaktesten gevonden voor:
| Contactallergeen | Positieve plaktesten |
|---|---|
| Hydroperoxiden van linalool 1% | 7,65% |
| Hydroperoxiden van limonene 0,3% | 6,78% |
| Benzisothiazolinone (BIT) | 3,71% |
| Natriummetabisulfiet | 3,49% |
| Tree moss (Evernia furfuracea) | 1,79% |
| Decyl glucoside | 1,49% |
| Lauryl glucoside | 1,26% |
Niet iedere stof werd bij precies hetzelfde aantal patiënten getest. De percentages moeten daarom per allergeen worden geïnterpreteerd.
Vooral de hydroperoxiden van linalool en limonene springen eruit.
Linalool en limonene: niet alleen de geurstof zelf is belangrijk
Linalool en limonene zijn veelgebruikte geurstoffen.
Limonene heeft een citrusachtige geur. Linalool komt onder andere voor in verschillende bloemen, planten en etherische oliën. Beide stoffen kunnen voorkomen in bijvoorbeeld parfum, huidverzorging, shampoo, doucheproducten, deodorant en huishoudelijke producten.
Bij contactallergie is vooral interessant wat er gebeurt wanneer deze stoffen in aanraking komen met zuurstof.
Linalool en limonene kunnen namelijk oxideren. Daarbij ontstaan onder andere hydroperoxiden. Deze oxidatieproducten kunnen sterker sensibiliserend zijn dan de oorspronkelijke geurstof. Lees hierover meer: Waarom een oud flesje crème of parfum méér kans op allergie geeft Daarom kunnen bij een plakproef specifiek hydroperoxiden van linalool en limonene worden onderzocht.
In het nieuwe Europese onderzoek reageerde 7,65% van de geteste patiënten positief op linaloolhydroperoxiden en 6,78% op limonenehydroperoxiden.
Dat waren de hoogste percentages van alle aanvullende stoffen die in deze studie werden onderzocht.
Een positieve test op geurhydroperoxiden was relatief vaak relevant
De onderzoekers keken vervolgens niet alleen naar de plaktestreactie, maar ook naar de klinische relevantie.
Daarmee wordt bedoeld dat wordt beoordeeld of de positieve reactie waarschijnlijk samenhangt met een daadwerkelijke huidige of eerdere blootstelling.
Bij positieve reacties op hydroperoxiden van linalool werd bij 75,2% van de beoordeelde gevallen klinische relevantie vastgesteld. Voor hydroperoxiden van limonene was dit 74,7%.
Dat is belangrijk.
Een plaktest kan namelijk aantonen dat het afweersysteem een stof herkent, maar voor de patiënt is uiteindelijk vooral de vraag:
Kom ik met deze stof in contact en kan dat mijn huidklachten verklaren?
Bij deze geurhydroperoxiden kon relatief vaak een relevante blootstelling worden gevonden.
Wilt u meer weten over geurstoffen als oorzaak van eczeem? Lees dan onze informatie over parfumallergie.
Benzisothiazolinone: een contactallergeen buiten cosmetica
Ook benzisothiazolinone, meestal afgekort als BIT, viel op. Van de patiënten die op BIT werden getest, reageerde 3,71% positief.
BIT is een conserveermiddel dat de groei van micro-organismen tegengaat. Binnen de Europese Unie mag BIT niet als conserveermiddel in cosmetica worden gebruikt, maar de stof kan wel voorkomen in andere producten.
Andere isothiazolinonen, zoals methylisothiazolinone (MI) en methylchloroisothiazolinone (MCI/MI), worden of werden wel in cosmetische producten gebruikt. Bij mensen met een isothiazolinonenallergie kan daarom mogelijk sprake zijn van kruisreacties tussen verschillende stoffen uit deze groep. Een positieve test op BIT betekent echter niet automatisch dat iemand op alle andere isothiazolinonen reageert. De betekenis van de uitslag moet per patiënt en per blootstelling worden beoordeeld.
Voorbeelden van producten waarin BIT kan voorkomen zijn:
- verf en lak;
- schoonmaakmiddelen;
- wasmiddelen;
- lijmen;
- metaalbewerkingsvloeistoffen;
- andere industriële producten.
Dat maakt de blootstelling soms minder herkenbaar.
Bij iemand met handeczeem kan bijvoorbeeld uitgebreid naar handcrème of zeep worden gekeken, terwijl de relevante blootstelling afkomstig is van een schoonmaakmiddel of product waarmee iemand tijdens het werk in aanraking komt. In het Europese onderzoek kon bij 51,9% van de beoordeelde positieve BIT-reacties een klinische relevantie worden vastgesteld. BIT is inmiddels opgenomen in de European Baseline Series 2023.
Natriummetabisulfiet: positief betekent niet altijd dat de bron duidelijk is
Ook natriummetabisulfiet gaf relatief vaak een positieve reactie: 3,49% van de geteste patiënten. Natriummetabisulfiet wordt bij plakproeven gebruikt als marker voor contactallergie voor sulfieten.
Sulfieten kunnen in verschillende producten voorkomen, waaronder bepaalde cosmetica, haarproducten en geneesmiddelen.
Bij natriummetabisulfiet was het verschil tussen een positieve test en aantoonbare klinische relevantie opvallend. Van de beoordeelde positieve reacties werd bij 39,5% een klinische relevantie vastgesteld. Dat betekent niet dat de overige positieve reacties “vals positief” waren.
Iemand kan daadwerkelijk gesensibiliseerd zijn, terwijl het lastig blijft om vast te stellen waar en wanneer de patiënt aan de stof wordt blootgesteld. Juist daarom is productonderzoek na een positieve plaktest belangrijk.
Ook glucosiden blijven relevant
In de Europese studie reageerde:
- 1,49% positief op decyl glucoside;
- 1,26% positief op lauryl glucoside.
Glucosiden worden gebruikt als oppervlakteactieve stoffen en emulgatoren en kunnen voorkomen in bijvoorbeeld shampoo, gezichtsreinigers, doucheproducten en andere huid- en haarverzorging. Ze hebben een relatief mild imago en worden ook gebruikt in producten die worden gepresenteerd als geschikt voor een gevoelige huid.
Maar mild voor de huid betekent niet dat een stof geen contactallergie kan veroorzaken.
Decyl glucoside is inmiddels opgenomen in de Europese basisreeks. Bij patiënten waarbij de producten en klachten daar aanleiding toe geven, kan aanvullend onderzoek naar andere glucosiden relevant zijn.
We schreven eerder uitgebreider over contactallergie voor glucosiden en waarom termen als ‘mild’ en ‘natuurlijk’ niet hetzelfde betekenen als allergievrij. Deze lees je hier.
Waarom verandert de Europese basisreeks?
De stoffen waarmee mensen dagelijks in contact komen veranderen. Een conserveermiddel kan vaker worden gebruikt doordat een ander middel wordt beperkt.
Nieuwe cosmetica-ingrediënten worden populair. Industriële producten veranderen van samenstelling. Tegelijk kunnen allergenen door wetgeving juist minder relevant worden. Daarom wordt de European Baseline Series regelmatig opnieuw beoordeeld. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het percentage positieve reacties.
Onderzoekers beoordelen onder andere:
- hoe vaak een test positief is;
- hoe vaak een positieve reactie klinisch relevant is;
- hoeveel twijfelachtige of irriterende reacties optreden;
- hoe vaak mensen daadwerkelijk aan de stof worden blootgesteld;
- en of een andere teststof dezelfde allergie voldoende kan opsporen.
Een allergeen dat veel positieve reacties geeft, hoeft daarom niet automatisch direct in iedere standaardreeks terecht te komen.
Waarom zitten linalool- en limonenehydroperoxiden dan niet gewoon in de Europese basisreeks?
Dat lijkt op het eerste gezicht opvallend. De hydroperoxiden van linalool en limonene gaven immers verreweg de meeste positieve reacties van de aanvullende allergenen. Toch worden ze op dit moment als aanbevolen aanvullende teststoffen beschouwd.
Een belangrijke reden is dat deze testpreparaten ook relatief veel twijfelachtige reacties kunnen geven. Ook is de relatie tussen een positieve plaktest en blootstelling aan precies dezelfde hoeveelheid hydroperoxiden in een consumentenproduct niet altijd eenvoudig vast te stellen.
Daarnaast kan de gebruikte testconcentratie invloed hebben op zowel het aantal positieve als het aantal twijfelachtige reacties.
De stoffen zijn dus duidelijk relevant, maar de vraag hoe ze het beste routinematig kunnen worden ingezet blijft onderwerp van onderzoek.
Meer testen is niet automatisch beter
De nieuwe cijfers laten niet zien dat iedere patiënt voortaan op zo veel mogelijk stoffen moet worden getest. Ze laten juist zien waarom gerichte testselectie belangrijk is.
Een basisreeks is bedoeld om veel voorkomende en belangrijke contactallergenen te onderzoeken. Afhankelijk van de klachten kunnen aanvullende testreeksen worden gekozen.
Bijvoorbeeld op basis van:
- de plaats van het eczeem;
- gebruikte cosmetica en huidproducten;
- haarproducten;
- beroep;
- hobby’s;
- handschoenen;
- lijmen;
- nagelproducten;
- medische of tandheelkundige materialen.
Zo kan bij ooglideczeem een andere aanvullende reeks relevant zijn dan bij handeczeem bij een schilder of kapper.
Meer informatie over de uitvoering, voorbereiding en afleesmomenten vindt u op onze pagina over de plakproef.
Een positieve plakproef is pas het begin van de interpretatie
De verschillen in klinische relevantie zijn misschien wel de belangrijkste uitkomst van deze studie.
Bij linalool- en limonenehydroperoxiden werd bij ongeveer driekwart van de beoordeelde positieve reacties een relevante blootstelling vastgesteld.
Bij BIT was dat ongeveer de helft.
Bij natriummetabisulfiet was dit minder dan 40%.
Dat laat duidelijk zien waarom een laboratoriumachtige uitslag alleen niet voldoende is.
Een goede beoordeling bestaat uit twee vragen:
1. Reageert de huid allergisch op de teststof?
2. Komt de patiënt daadwerkelijk met die stof in contact op een manier die de klachten kan verklaren?
Pas als die informatie wordt gecombineerd, krijgt een positieve plakproef praktische betekenis.
Wat betekent dit nieuwe onderzoek voor patiënten?
De Europese cijfers bevestigen dat contactallergie geen statisch vakgebied is. Welke stoffen belangrijk zijn verandert mee met producten, beroepen, regelgeving en consumentengedrag. Daarom moeten testreeksen regelmatig worden aangepast aan nieuwe wetenschappelijke gegevens.
Voor patiënten betekent dat vooral: een goede plakproef bestaat niet uit simpelweg zo veel mogelijk stoffen testen.
Het gaat om een actuele basisreeks, passende aanvullende teststoffen en daarna een zorgvuldige beoordeling van de producten en materialen waarmee iemand daadwerkelijk in aanraking komt. Het uiteindelijke doel is namelijk niet een lange lijst met positieve allergieën. Het doel is achterhalen welke blootstelling werkelijk relevant is en wat u vervolgens kunt vermijden of aanpassen om de huidklachten te verminderen.
Blijft uw eczeem terugkomen en vermoedt uw arts een contactallergie?
Bij Allergie Centra Nederland kan op basis van uw klachten, producten en blootstelling worden beoordeeld welke plaktestreeksen relevant zijn. Voor medisch-specialistische zorg is een verwijzing van huisarts of specialist nodig.
Afspraak aanvragen met verwijzing| Bekijk onze locaties
Veelgestelde vragen
Betekent een positieve plakproef dat een stof mijn eczeem veroorzaakt?
Niet automatisch. Een positieve test toont aan dat het afweersysteem allergisch op de stof kan reageren. Daarna moet worden onderzocht of u daadwerkelijk met de stof in aanraking komt en of die blootstelling past bij uw huidklachten.
Waarom veranderen de allergenen die worden getest?
Productgebruik en blootstelling veranderen. Nieuwe ingrediënten worden toegepast, andere stoffen worden beperkt en nieuwe wetenschappelijke gegevens laten zien welke allergenen belangrijk zijn. Daarom worden Europese testreeksen periodiek aangepast.
Waarom worden niet standaard alle mogelijke contactallergenen getest?
Er bestaan duizenden stoffen die contactallergie kunnen veroorzaken. Alles bij iedereen testen is niet zinvol. Een goede plakproef combineert daarom een relevante basisreeks met aanvullende stoffen die passen bij de klachten, producten, het beroep en andere blootstellingen.
Zijn de percentages uit dit onderzoek van toepassing op iedereen?
Nee. Het onderzoek werd uitgevoerd bij patiënten die al vanwege een verdenking op contactallergie werden getest. De percentages geven dus niet aan hoeveel procent van de algemene bevolking allergisch is.
Bronnen
Uter W, Wilkinson SM, Bauer A, et al. Patch Test Results With Additions to the European Baseline Series, 2021/22—Joint European Results of the ESSCA and the EBS Working Groups of the ESCD, and the GEIDAC. Contact Dermatitis. 2026;95(3):276–285. DOI: 10.1111/cod.70183.
Wilkinson SM, Gonçalo M, Aerts O, et al. The European Baseline Series and Recommended Additions: 2023. Contact Dermatitis. 2023;88(2):87–92.
Botvid S, Bennike NH, Johansen JD, et al. Repeated Exposure to Hydroperoxides of Linalool Induces Immunologically Verified Allergic Contact Dermatitis. Contact Dermatitis. 2026;94(6):652–661. DOI: 10.1111/cod.70119.