klachten-na-vulling-kroon-implantaat-allergie

Kun je allergisch zijn voor een vulling, kroon, beugel of implantaat?

Sommige mensen krijgen klachten nadat er iets in de mond is geplaatst, zoals een vulling, kroon, brug, beugel of implantaat. Dat kan een branderig gevoel zijn, een geïrriteerd plekje, gevoelige lippen of witte/rode plekjes die niet goed weggaan. Het is logisch dat je dan denkt: “Ik ben allergisch voor het materiaal.” Toch is het meestal niet zo simpel. In de dermatologische literatuur over contactallergie (waaronder het hoofdstuk over tandheelkundige materialen in Contact Dermatitis) wordt uitgelegd dat klachten rond tandheelkundige materialen grofweg uit drie dingen kunnen voortkomen: irritatie, ontsteking, of een echte allergische reactie.

Waarom “allergie” vaak te snel wordt gezegd (en soms juist te snel wordt ontkend)

Het woord allergie wordt in het dagelijks leven gebruikt als paraplu voor “ik reageer ergens niet goed op”. Medisch gezien is dat genuanceerder: bij een contactallergie gaat het om een reactie van je afweersysteem op een specifieke stof, meestal vertraagd. Dat betekent dat klachten niet altijd meteen na plaatsing hoeven te beginnen, maar ook later kunnen ontstaan. Tegelijk kan iets ook gewoon irriteren zónder allergie. Denk aan een kroonrand die net niet perfect aansluit, een vulling die te hoog staat, een prothese die schuurt, of een ontstoken tandvleesrand. Daarbij komt nog iets belangrijks: de mond is een bijzonder milieu. Speeksel, temperatuur, druk door kauwen, en het feit dat veel materialen in de mond na uitharden eigenlijk “af” zijn, maken dat de kans op echte allergie bij patiënten vaak lager is dan bij mensen die er beroepsmatig mee werken (zoals tandartsen en assistenten die met ongehard materiaal in aanraking komen). En dan is er nog een derde valkuil: zelfs als je een allergietest (plakproef/patchtest) positief is, betekent dat niet automatisch dat het dé oorzaak is van je klachten. Het betekent wél dat je immuunsysteem die stof herkent. Of dat ook klinisch relevant is, hangt af van de plek, de timing en of dat materiaal daadwerkelijk contact maakt met het gebied waar jij klachten hebt. In het boek wordt die “relevantie” nadrukkelijk genoemd als iets dat je het beste beoordeelt samen: tandarts en dermatoloog/allergoloog.

Wat voor klachten passen bij een materiaalreactie in de mond?

Een materiaalreactie (allergie of irritatie) zie je in de mond vaak als een plek die óf steeds geïrriteerd blijft, óf steeds terugkomt, terwijl andere delen van de mond rustig zijn. Het kan een branderig gevoel geven, of een prikkelend gevoel, zeker bij rode, geïrriteerde gebieden. Bij wittige, meer “kantachtige” plekjes is er soms weinig pijn; bij rode of “ruwe/kapotte” plekken vaker wel. Artsen maken bij dit soort plekken vaak onderscheid tussen oral lichen planus (OLP) en oral lichenoid lesions (OLL). Dat klinkt ingewikkeld, maar het helpt om het simpel te houden: OLL lijkt op OLP, maar zit vaak duidelijker in de buurt van een specifiek materiaal. Bij OLL is het daarom logischer om naar dentale materialen te kijken en zo nodig te testen. Bij OLP is het vaker een bredere aandoening. In studies wordt beschreven dat OLL vaak naast amalgaam of andere metalen kan zitten en dat verwijderen of vervangen in een deel van de gevallen verbetering geeft, zelfs als de allergietest niet altijd een helder antwoord geeft.

Metalen als mogelijke oorzaak: goud, nikkel, kwik (en soms palladium)

Als we kijken naar een echte contactallergie, dan zijn metalen al lang bekende allergenen. In de tandheelkundige context worden vooral goud, nikkel en kwik (denk aan amalgaam) vaak genoemd als veroorzakers van contactallergie. Bij amalgaam wordt in de literatuur beschreven dat lichenoïde afwijkingen in de mond kunnen ontstaan als een contactreactie met óf zonder aantoonbare contactallergie. Met andere woorden: bij sommige mensen speelt allergie mee, maar bij anderen lijken ook lokale irritatie en andere factoren een rol te hebben. Dat verklaart waarom klachten bij een deel van de patiënten kunnen verbeteren na vervanging, zelfs als patchtesten geen heel “zwart-wit” antwoord geven.

Goud is een metaal waarop patchtesten relatief vaak positief kunnen zijn. Dat kan relevant zijn, maar vraagt altijd om interpretatie: past het bij de plek en het klachtenverhaal, en is er ook daadwerkelijk contact tussen het materiaal en het aangedane slijmvlies of tandvlees? In de kliniek worden bijvoorbeeld situaties beschreven waarin klachten rond gouden restauraties verbeteren na vervanging, maar een positieve test alléén is nooit automatisch het bewijs dat goud de oorzaak is.

Nikkel is bekend van een sieradenallergie. Toch worden heftige reacties op orthodontische materialen bij nikkelallergische patiënten relatief weinig gezien. Orthodontische draden kunnen gemaakt zijn van staal dat bijvoorbeeld chroom en nikkel bevat, en nikkel-titanium draden kunnen een hoog nikkelpercentage hebben. Ondanks die samenstelling lijken nadelige reacties in de praktijk niet vaak voor te komen. Bij mensen met een duidelijke nikkelallergie kan het wel zinvol zijn om waar mogelijk te kiezen voor nikkelvrije opties, zoals kunststof brackets of orthodontische draden van beta-titanium en bij bepaalde extraorale apparatuur kan een kunststofcoating helpen als het gebruikte materiaal nikkel bevat.

Palladium zit in sommige tandheelkundige legeringen. Bij patchtesten kan palladium relatief vaak meereageren bij mensen met nikkelallergie, maar de klinische betekenis is niet altijd duidelijk, mede omdat de afgifte van palladium-ionen uit veel tandheelkundige legeringen laag is en sommige patiënten die legeringen toch verdragen. Tegelijk zijn er ook casussen beschreven waarbij klachten (bijvoorbeeld lokale mondklachten) verbeterden na het verwijderen van palladiumhoudende restauraties. Daarom geldt ook hier: een positieve test is een belangrijk signaal, maar de uiteindelijke conclusie hangt af van het totaalplaatje (klachten, locatie, timing en blootstelling).

Kunststoffen in composiet en “lijm” (acrylaten)

Naast metalen kunnen ook bepaalde kunststofbestanddelen in tandheelkundige materialen klachten geven. Het gaat dan vooral om (meth)acrylaten. Die zitten vaak in witte composietvullingen en in de hechtlaag/lijm (bonding) die nodig is om een vulling of kroon goed vast te zetten. In het boek wordt uitgelegd dat moderne tandheelkundige harsen meestal een mengsel zijn van verschillende bouwstoffen. Namen die je in materiaaloverzichten of testuitslagen kunt tegenkomen zijn bijvoorbeeld bis-GMA, TEGDMA/TREGDMA, UEDMA en 2-HEMA. Dat klinkt technisch, maar het helpt om te weten dat “composiet” en “bonding” dus niet één stof zijn, maar een combinatie.

Belangrijk om te weten: deze materialen harden uit door een chemische reactie of met een lamp. Toch kan er soms een kleine hoeveelheid reststof achterblijven, ook nadat het materiaal is uitgehard. Wat dat in de praktijk precies betekent, is niet altijd zwart-wit, maar het verklaart wel waarom sommige mensen vooral kort na een behandeling irritatie kunnen merken, bijvoorbeeld een branderig gevoel of geïrriteerd slijmvlies dicht bij de plek waar gewerkt is.

Het boek benoemt ook dat een echte allergie voor composietmaterialen bij patiënten niet heel vaak wordt gerapporteerd. Dat betekent niet dat klachten “tussen de oren” zitten, maar wel dat er vaak óók andere verklaringen kunnen meespelen (zoals irritatie door een randje, een ontstoken tandvleesrand, een droge mond of een reactie op iets anders in de mond). Daarom is het verstandig om het stap voor stap uit te zoeken: eerst kijken naar de meest voorkomende oorzaken, en pas daarna naar een mogelijke materiaalreactie.

Als er wél een sterke verdenking is op een reactie op (meth)acrylaten, is één ding echt belangrijk: ga nooit zelf experimenteren door een restje “lijm” of materiaal op de huid te smeren. Daarmee kun je juist een allergie opwekken of verergeren. Testen hoort veilig en gecontroleerd te gebeuren via een plakproef (patchtest) met een tandheelkundige testreeks die past bij de materialen van nu. In het boek wordt namelijk ook duidelijk dat een “oude” of te algemene test niet altijd alle moderne tandheelkundige stoffen meeneemt.

Implantaten en titanium

Titanium is een veelgebruikt implantaatmateriaal. In het hoofdstuk wordt beschreven dat een titanium-allergie bij tandpatiënten zeldzaam of mogelijk zelfs niet bestaand wordt geacht, al zijn er wel casusbeschrijvingen waarin titanium als allergeen wordt genoemd. In een grote retrospectieve serie werden tandpatiënten over een periode van elf jaar getest met meerdere titanium-preparaten (o.a. elementair titanium, calcium-titanaat, titanium nitride en titanium oxalaat). In die serie reageerde 1 van de 1.373 patiënten op calcium-titanaat bij de late aflezing op dag 7 en er waren daarnaast veel “twijfelreacties”. De conclusie van die auteurs was dat titanium waarschijnlijk nauwelijks sensibiliseert en doorgaans geschikt blijft voor implantaten en raamwerken.

Tegelijk laat het hoofdstuk óók zien waarom dit onderwerp in de praktijk discussie geeft: de teststof maakt uit. Er staat dat de gangbare patchtest-preparatie met titaniumdioxide (TiO₂) waarschijnlijk niet goed genoeg is om type-IV overgevoeligheid voor titanium op te sporen, vooral door de slechte oplosbaarheid (waardoor het onvoldoende de huid kan binnendringen). Daarom wordt er verwezen naar onderzoek waarin juist met titaniumzouten wordt getest. Zo wordt een (recentere) Nederlandse retrospectieve studie beschreven waarin patiënten werden getest met minstens één van vijf titaniumzouten (waaronder titanium(IV) oxalaat-hydraat, titanium(IV) isopropoxide, titaniumlactaat en titaniumcitraat, naast TiO₂). In die studie werd een frequentie van 5,7% titaniumsensitiviteit gevonden, hoger dan in eerdere studies en de titaniumzouten leken mogelijk betere patchtest-preparaten dan TiO₂.

Maar ook daar blijft nuance nodig: het hoofdstuk noemt óók een studie uit Litouwen waarin juist geen positieve patchtestreacties werden gevonden op diezelfde vijf titaniumzouten. Dat onderstreept dat testen op titanium complex is en dat uitslagen sterk kunnen afhangen van de gekozen stoffen, concentraties, populatie en interpretatie.

Voor de praktijk betekent dit: klachten rond implantaten kunnen heel reëel zijn, maar ze komen vaak ook door andere oorzaken zoals ontsteking rond het implantaat, irritatie, problemen met het tandvlees, cementresten of mechanische overbelasting. Daarom werkt een stapsgewijze beoordeling meestal het best: eerst de meest voorkomende oorzaken goed uitsluiten en behandelen, en als het klachtenpatroon daarna nog steeds verdacht blijft, gericht beoordelen of een materiaalreactie (en welke teststof daarbij past) waarschijnlijk is.

De plek van je klacht zegt vaak meer dan je denkt

Bij verdenking op een materiaalreactie is de locatie vaak de beste aanwijzing. Als een afwijking heel duidelijk tegen één bepaalde vulling of kroonrand aan ligt en vooral daar blijft terugkomen, wordt een materiaaltrigger waarschijnlijker. In de literatuur wordt in dit verband vaak gesproken over lichenoïde afwijkingen die gelokaliseerd naast een restauratie zitten, onder andere naast amalgaam. Als klachten juist op meerdere plekken in de mond voorkomen, of steeds wisselen, is het minder logisch om direct één specifiek materiaal als oorzaak aan te wijzen. Dan is het vaak zinvoller om breder te kijken naar irritatie, ontsteking, droge mond, medicatie, reflux of andere factoren die de mond “gevoelig” kunnen maken, zoals een allergie voor bijvoorbeeld tandpasta.

Hoe je dit zorgvuldig laat uitzoeken

Een stapsgewijze aanpak voorkomt dat er onnodig veel wordt vervangen. Eerst is er de tandartscheck: zijn er randen die irriteren, drukpunten, ontsteking, of materialen die mechanisch problemen geven? Als daarna het materiaalverhaal nog steeds sterk is, is patchtesten bij een dermatoloog/allergoloog de volgende stap, bij voorkeur met een tandheelkundige testreeks. In het hoofdstuk staat ook een detail dat in de praktijk veel verschil kan maken: bij dentale allergenen kunnen reacties laat zichtbaar worden. Daarom wordt genoemd dat aflezen op dag 7 belangrijk kan zijn, omdat reacties op onder andere acrylaten, goud en kwik laat kunnen komen. Daarna komt de interpretatie. Een positieve test betekent dat je gevoelig bent voor die stof, maar de belangrijkste vraag blijft of het bij jouw klachten past. In het boek wordt benadrukt dat die beoordeling het beste gebeurt in samenwerking tussen tandarts en dermatoloog.

Wanneer kan vervangen zinvol zijn?

Vervangen is niet altijd nodig en niet altijd de oplossing. Toch zijn er situaties waarin vervanging vaker wordt overwogen. Een voorbeeld dat vaak in de literatuur terugkomt zijn symptomatische lichenoïde laesies die direct naast amalgaam liggen; daar wordt geregeld verbetering gezien na vervanging. Een andere situatie is wanneer iemand een duidelijke positieve patchtest heeft op een stof die daadwerkelijk in contact staat met de plek waar de klachten zijn, en het tijdsverloop klopt. In het hoofdstuk worden voorbeelden besproken waarin methacrylaten in primer/adhesief verband hielden met lip- en slijmvliesklachten en positieve patchtesten op relevante monomeren. Ook dan blijft het verstandig om een plan te maken: wat wordt vervangen, waarmee, en hoe lang geef je het om te beoordelen of de klachten echt verbeteren?

De belangrijkste boodschap

Reacties in de mond zijn ingewikkeld, omdat irritatie, ontsteking en allergie op elkaar kunnen lijken, en omdat materialen zich anders gedragen in de mond dan op de huid. De wetenschap zegt niet “het is altijd allergie”, maar ook niet “het kan nooit allergie zijn”. De beste aanpak is meestal stapsgewijs: eerst mechanische oorzaken en ontsteking goed uitsluiten, daarna gericht testen met de juiste tandheelkundige reeks en late aflezing en pas dan samen besluiten of vervangen logisch is.

Bronvermelding

Dunsche, A., Kästel, I., Terheyden, H., Springer, I. N. G., Christophers, E., & Brasch, J. (2003). Oral lichenoid reactions associated with amalgam: Improvement after amalgam removal. British Journal of Dermatology, 148(1), 70–76. https://doi.org/10.1046/j.1365-2133.2003.04936.x

Johansen, J. D., Frosch, P. J., & Lepoittevin, J.-P. (Eds.). (2011). Contact dermatitis (5th ed.)

Johansen, J. D., Mahler, V., Lepoittevin, J.-P., & Frosch, P. J. (Eds.). (2020). Contact dermatitis (6th ed., Vol. 2).

Gawkrodger, D. J. (2005). Investigation of reactions to dental materials. British Journal of Dermatology, 153(3), 479–485. https://doi.org/10.1111/j.1365-2133.2005.06821.x

Goon, A. T. J., Isaksson, M., Zimerson, E., Goh, C. L., & Bruze, M. (2006). Contact allergy to (meth)acrylates in the dental series in southern Sweden: Simultaneous positive patch test reaction patterns and possible screening allergens. Contact Dermatitis, 55(4), 219–226. https://doi.org/10.1111/j.1600-0536.2006.00922.x

Henriks-Eckerman, M.-L., Suuronen, K., Jolanki, R., & Alanko, K. (2004). Methacrylates in dental restorative materials. Contact Dermatitis, 50(4), 233–237. https://doi.org/10.1111/j.0105-1873.2004.00336.x

Kanerva, L., Estlander, T., & Jolanki, R. (1989). Allergic contact dermatitis from dental composite resins due to aromatic epoxy acrylates and aliphatic acrylates. Contact Dermatitis, 20(3), 201–211. https://doi.org/10.1111/j.1600-0536.1989.tb04657.x

Laeijendecker, R., Dekker, S. K., Burger, P. M., Mulder, P. G. H., van Joost, T., & Neumann, H. A. M. (2004). Oral lichen planus and allergy to dental amalgam restorations. Archives of Dermatology, 140(12), 1434–1438. https://doi.org/10.1001/archderm.140.12.1434

Laine, J., Kalimo, K., & Happonen, R.-P. (1997). Contact allergy to dental restorative materials in patients with oral lichenoid lesions. Contact Dermatitis, 36(3), 141–146. https://doi.org/10.1111/j.1600-0536.1997.tb00396.x

Martin, M. D., Broughton, S., & Drangsholt, M. (2003). Oral lichen planus and dental materials: A case-control study. Contact Dermatitis, 48(6), 331–336. https://doi.org/10.1034/j.1600-0536.2003.00146.x

Östman, P.-O., Anneroth, G., & Skoglund, A. (1996). Amalgam-associated oral lichenoid reactions: Clinical and histologic changes after removal of amalgam fillings. Oral Surgery, Oral Medicine, Oral Pathology, Oral Radiology, and Endodontology, 81(4), 459–465. https://doi.org/10.1016/S1079-2104(96)80024-2

Pang, B. K., & Freeman, S. (1995). Oral lichenoid lesions caused by allergy to mercury in amalgam fillings. Contact Dermatitis, 33(6), 423–427. https://doi.org/10.1111/j.1600-0536.1995.tb02079.x

Torgerson, R. R., Davis, M. D. P., Bruce, A. J., Farmer, S. A., & Rogers, R. S., III. (2007). Contact allergy in oral disease. Journal of the American Academy of Dermatology, 57(2), 315–321. https://doi.org/10.1016/j.jaad.2007.04.017

Yiannias, J. A., El-Azhary, R. A., Hand, J. H., Pakzad, S. Y., & Rogers, R. S., III. (2000). Relevant contact sensitivities in patients with the diagnosis of oral lichen planus. Journal of the American Academy of Dermatology, 42(2 Pt 1), 177–182. https://doi.org/10.1016/S0190-9622(00)90123-3

Denkt u dat u een allergie heeft?

Bij aanhoudende klachten is het belangrijk om dit te bespreken met uw huisarts of specialist. Met een verwijzing kunt u bij ons terecht voor allergieonderzoek.

We helpen u graag verder — zonder lange wachttijden.