Wat is een beroepsallergie in de agrarische sector?
Een beroepsallergie ontstaat wanneer het afweersysteem gevoelig wordt voor een stof waarmee iemand tijdens het werk in aanraking komt.
Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door het inademen van allergenen of door direct huidcontact.
Onder de term beroepsallergie in de agrarische sector kunnen verschillende klachten en aandoeningen vallen:
- allergische rhinitis of rhinoconjunctivitis;
- directe allergische huidreacties, zoals contacturticaria;
- proteïnecontactdermatitis;
- allergisch contacteczeem;
- irritatief contacteczeem of handeczeem;
- allergisch beroepsastma;
- bestaand astma dat door het werk verergert;
- irritatie van neus, ogen of luchtwegen door stof of andere blootstellingen.
Niet iedere klacht die tijdens het werk ontstaat is dus een allergie.
Een allergie kan bovendien pas ontstaan nadat iemand al langere tijd met een stof, plant of dier werkt. Het feit dat u jarenlang geen problemen heeft gehad, sluit een nieuwe beroepsallergie daarom niet uit.
Beroepsallergie: allergie, irritatie of een combinatie?
Bij een directe type I-allergie ontstaan klachten meestal relatief snel na blootstelling. Hierbij zijn IgE-antistoffen betrokken. Mogelijke klachten zijn niezen, een loopneus, jeukende ogen, galbulten, zwelling of luchtwegklachten.
Dierlijke allergenen, pollen, bepaalde graanproteïnen en mijten kunnen hierbij een rol spelen.
Een type IV-contactallergie is een vertraagde allergische reactie van de huid. Eczeem ontstaat meestal pas uren tot dagen na huidcontact. In agrarisch werk kunnen bijvoorbeeld bepaalde plantenstoffen, rubberhulpstoffen of bestanddelen van werkproducten relevant zijn.
Daarnaast komt irritatie veel voor. Water, aarde, vuil, mest, plantensappen, stof, reinigingsmiddelen, warmte, zweet en wrijving kunnen de huid beschadigen zonder dat sprake is van een specifieke allergie.
Ook neus, ogen en luchtwegen kunnen geïrriteerd raken door stof en andere stoffen op de werkplek.
Allergie en irritatie kunnen tegelijkertijd voorkomen.
Irritatief en allergisch handeczeem in de agrarische sector
De handen worden tijdens agrarisch werk vaak zwaar belast.
Veelvuldig contact met water, aarde, modder, planten, mest, reinigingsmiddelen en desinfectiemiddelen kan de huidbarrière beschadigen. Ook warmte, transpiratie, wrijving en langdurig dragen van afsluitende handschoenen kunnen bijdragen aan handeczeem.
Klachten kunnen bestaan uit:
- droogheid;
- roodheid;
- schilfering;
- jeuk;
- een branderig gevoel;
- blaasjes;
- nattend eczeem;
- pijnlijke kloofjes.
Bij irritatief contacteczeem ontstaat de huidreactie door beschadiging van de huidbarrière.
Bij allergisch contacteczeem is sprake van een vertraagde type IV-allergie voor een bepaalde stof.
Aan het huidbeeld alleen is meestal niet betrouwbaar vast te stellen welk mechanisme speelt. Irritatie en contactallergie kunnen bovendien tegelijkertijd aanwezig zijn.
Neus-, oog- en luchtwegklachten
In de agrarische sector kunnen allergenen en andere stoffen via de lucht worden ingeademd.
Bij een directe type I-allergie kunnen bijvoorbeeld ontstaan:
- niezen;
- een loopneus;
- neusverstopping;
- jeuk in de neus;
- rode of jeukende ogen;
- tranende ogen;
- hoesten;
- piepen;
- benauwdheid.
Soms ontstaat een duidelijk patroon. De klachten beginnen bijvoorbeeld tijdens het verzorgen van dieren, het werken in een specifieke stal of kas of bij het verwerken van graan, hooi of veevoer.
Luchtwegklachten betekenen echter niet automatisch dat sprake is van een allergie.
Agrarisch stof kan bestaan uit een complex mengsel van dierlijke en plantaardige deeltjes, micro-organismen, schimmels en andere stoffen. Een deel daarvan kan een allergie veroorzaken. Andere bestanddelen kunnen de luchtwegen irriteren zonder dat sprake is van een IgE-allergie.
Een allergietest alleen stelt daarom geen diagnose beroepsastma. Allergie Centra Nederland verricht geen volledige diagnostiek naar astma of beroepsastma.
Contacturticaria en proteïnecontactdermatitis
Sommige plantaardige of dierlijke eiwitten kunnen direct na huidcontact klachten veroorzaken.
Bij contacturticaria ontstaan bijvoorbeeld snel:
- jeuk;
- roodheid;
- galbulten;
- zwelling.
Bij proteïnecontactdermatitis is vaak sprake van terugkerend of chronisch handeczeem waarbij contact met bepaalde eiwitten ook snelle jeuk of roodheid kan veroorzaken.
Dit is een ander mechanisme dan een vertraagde type IV-contactallergie. Een gewone plakproef is daarom niet de aangewezen test om een directe reactie op een proteïne aan te tonen.
Breng planten, dierlijk materiaal of andere werkproducten niet zelf op de huid aan om te testen of u erop reageert.
Welke stoffen kunnen beroepsallergie veroorzaken in de agrarische sector?
Er bestaat geen standaardlijst met ‘allergenen voor boeren’. De relevante blootstelling verschilt sterk per beroep, bedrijf en werkzaamheid.
Een melkveehouder komt met andere stoffen in contact dan iemand die chrysanten kweekt in een kas of graan verwerkt.
Daarom is bij beroepsallergie vooral belangrijk waarmee u daadwerkelijk werkt.
Planten, bloemen en gewassen
Werknemers in de landbouw, tuinbouw en sierteelt kunnen dagelijks intensief in contact komen met bladeren, stengels, bloemen, bollen, plantensappen en andere plantaardige materialen.
Sommige planten irriteren de huid. Andere bevatten stoffen waarvoor een type IV-contactallergie kan ontstaan.
Een belangrijke groep plantaardige contactallergenen zijn sesquiterpeenlactonen. Deze komen onder andere voor in planten uit de familie Asteraceae, ook wel Compositae genoemd.
Tot deze plantenfamilie behoren bijvoorbeeld:
- chrysant;
- zonnebloem;
- sla;
- cichorei;
- artisjok;
- kamille;
- verschillende soorten onkruid.
Bij een contactallergie kunnen vooral de handen en onderarmen aangedaan zijn. Ook het gezicht, de hals en andere onbedekte huid kunnen klachten geven.
Tulpen en Alstroemeria
In de bloemen- en bollenteelt is tulipalin A een bekend contactallergeen.
Deze stof is onder andere relevant bij tulpen en Alstroemeria. Beroepsmatig contact kan bij daarvoor gesensibiliseerde werknemers eczeem aan de handen en vingers veroorzaken.
Bij medewerkers in de bloemen- en plantenteelt is het daarom belangrijk om niet alleen te vermelden dat zij ‘met planten werken’, maar ook met welke specifieke planten, bloemen of bollen zij in contact komen.
Pollen
In de landbouw en tuinbouw kan de blootstelling aan pollen groot zijn.
Gras-, boom- en onkruidpollen kunnen bij daarvoor allergische mensen type I-klachten veroorzaken, zoals niezen, een loopneus en jeukende of tranende ogen.
Pollen komen echter ook buiten het werk voor. Een positieve allergietest betekent daarom niet automatisch dat sprake is van een beroepsallergie.
Het klachtenpatroon en de omstandigheden waarin de klachten ontstaan moeten samen worden beoordeeld.
Koeien en andere dieren
Werknemers in de veehouderij kunnen intensief worden blootgesteld aan dierlijke allergenen.
Allergene eiwitten kunnen onder andere afkomstig zijn uit:
- huidschilfers;
- haren;
- speeksel;
- urine;
- andere dierlijke materialen.
Beroepsmatige allergische neus-, oog- en luchtwegklachten zijn onder andere beschreven bij mensen die intensief met runderen werken.
Afhankelijk van het werk kunnen ook paarden, varkens, pluimvee en andere dieren relevant zijn.
Een positieve huidpriktest of verhoogd specifiek IgE voor een dier toont sensibilisatie. De uitslag moet daarnaast passen bij de klachten tijdens blootstelling om klinisch relevant te zijn.
Graan en graanstof
Graanstof is geen enkelvoudige stof.
Bij oogsten, storten, malen of verwerken van graan kunnen verschillende bestanddelen in de lucht terechtkomen, zoals:
- graanproteïnen;
- plantaardige resten;
- opslagmijten;
- schimmels;
- micro-organismen;
- ander organisch stof.
Een werknemer die tijdens het verwerken van graan klachten krijgt, is daarom niet automatisch allergisch voor het graan zelf.
Bepaalde graanproteïnen kunnen een directe type I-allergie veroorzaken. Tegelijkertijd kan graanstof neus en luchtwegen ook irriteren zonder dat sprake is van een specifieke allergie.
Hooi, stro en veevoer
Ook tijdens werkzaamheden met hooi, stro en veevoer kan veel organisch stof vrijkomen.
Daarin kunnen verschillende mogelijke allergenen aanwezig zijn. Klachten tijdens het voeren van dieren betekenen daarom niet automatisch dat iemand ‘allergisch voor hooi’ is.
Bij terugkerende klachten moet worden gekeken welke blootstellingen daadwerkelijk aanwezig zijn.
Opslagmijten
Opslagmijten zijn andere mijten dan de gewone huisstofmijt.
Ze kunnen voorkomen in omgevingen waar opgeslagen biologische materialen aanwezig zijn, zoals graan, hooi en veevoer.
Voorbeelden zijn:
- Lepidoglyphus destructor;
- Acarus siro;
- Tyrophagus putrescentiae;
- Glycyphagus domesticus.
Opslagmijten zijn bekende beroepsallergenen binnen onder andere de landbouw. Bij daarvoor gesensibiliseerde werknemers kunnen zij type I-neus-, oog- of luchtwegklachten veroorzaken.
Vooral wanneer klachten ontstaan tijdens werkzaamheden met graan, hooi of veevoer kan deze blootstelling relevant zijn.
Roofmijten in de glastuinbouw
In de glastuinbouw worden verschillende roofmijten ingezet voor biologische bestrijding.
Beroepsmatige sensibilisatie voor bepaalde roofmijten is beschreven bij werknemers die hier herhaaldelijk aan worden blootgesteld.
Bij werkgerelateerde neus-, oog- of luchtwegklachten in een kas kan daarom ook relevant zijn welke biologische bestrijders op het bedrijf worden gebruikt.
Schimmels en organisch stof
Schimmels kunnen voorkomen in bijvoorbeeld:
- hooi;
- stro;
- graan;
- compost;
- stallen;
- kassen;
- vochtige plantaardige materialen.
Voor bepaalde schimmels kan type I-sensibilisatie worden onderzocht wanneer dit bij de klachten en blootstelling past.
Een positieve test betekent niet automatisch dat de betreffende schimmel de oorzaak is van de klachten.
Schimmels en ander organisch materiaal kunnen bovendien luchtwegaandoeningen veroorzaken die niet onder een type I-allergie vallen.
Gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Bij huidklachten rond het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt soms gesproken over een ‘pesticidenallergie’. Dat is te algemeen.
Gewasbeschermingsmiddelen zijn samengestelde producten. Sommige bestanddelen kunnen de huid irriteren. Andere stoffen kunnen in specifieke situaties een type IV-contactallergie veroorzaken.
Bij terugkerende klachten is daarom de exacte productinformatie belangrijk, zoals:
- merknaam;
- productnaam;
- samenstelling;
- etiket;
- actueel veiligheidsinformatieblad.
Niet ieder gewasbeschermingsmiddel kan rechtstreeks met een plakproef worden getest. De arts beoordeelt welke bestanddelen of producten veilig en zinvol zijn voor onderzoek.
Reinigings- en desinfectiemiddelen
Op agrarische bedrijven worden reinigings- en desinfectiemiddelen gebruikt voor bijvoorbeeld stallen, melkinstallaties, werkruimten en machines.
Veelvuldig contact met water en reinigingsmiddelen kan irritatief handeczeem veroorzaken.
Daarnaast kunnen sommige producten stoffen bevatten waarvoor een type IV-contactallergie kan ontstaan, bijvoorbeeld bepaalde conserveermiddelen of andere hulpstoffen.
De exacte productnaam en samenstelling zijn daarom belangrijker dan alleen de omschrijving ‘schoonmaakmiddel’ of ‘desinfectiemiddel’.
Handschoenen, laarzen en rubber
Beschermende handschoenen zijn bij veel agrarische werkzaamheden noodzakelijk, maar kunnen soms ook een rol spelen bij huidklachten.
Langdurig dragen van afsluitende handschoenen zorgt voor warmte en vocht en kan irritatief handeczeem verergeren.
Rubberen handschoenen en andere rubbermaterialen kunnen bovendien rubberversnellers bevatten waarvoor een type IV-contactallergie kan ontstaan.
Voorbeelden zijn stoffen uit de groepen:
- thiuramen;
- dithiocarbamaten;
- mercaptoverbindingen.
Dit is iets anders dan een directe type I-allergie voor natuurlijke rubberlatex.
Bij verdenking op klachten door handschoenen is het daarom nuttig om merk, type en materiaal van de gebruikte handschoenen te verzamelen.
Machines, gereedschap en onderhoudsproducten
Niet alle relevante blootstellingen komen van planten of dieren.
Agrarische werknemers kunnen bij onderhoud en reparatie bijvoorbeeld in contact komen met:
- oliën;
- smeermiddelen;
- ontvetters;
- lijmen;
- kitten;
- harsen;
- coatings;
- metalen;
- andere technische producten.
Deze producten kunnen de huid irriteren of stoffen bevatten waarvoor een type IV-contactallergie kan ontstaan.
Bij handeczeem moet daarom naar het volledige takenpakket worden gekeken.
Zijn boerenlong en duivenmelkerslong ook beroepsallergieën?
Bij agrarische luchtwegklachten wordt soms gesproken over boerenlong.
Boerenlong is een vorm van hypersensitivity pneumonitis. Hierbij ontstaat een ontstekingsreactie dieper in het longweefsel na herhaalde inademing van bepaalde organische antigenen. Blootstelling aan bijvoorbeeld micro-organismen uit beschimmeld hooi kan hierbij een rol spelen.
Een vergelijkbare aandoening kan ontstaan door langdurige blootstelling aan vogelproteïnen. Dit wordt onder andere duivenmelkerslong genoemd.
Boerenlong en duivenmelkerslong zijn niet hetzelfde als een klassieke type I-allergie en worden niet vastgesteld met een standaard huidpriktest. Het zijn ook geen type IV-contactallergieën.
Allergie Centra Nederland onderzoekt deze aandoeningen niet. Bij verdenking op een boerenlong, duivenmelkerslong of andere vorm van hypersensitivity pneumonitis is beoordeling via huisarts en longarts nodig.
Wanneer wijzen klachten op een verband met het werk?
Een verband met het werk wordt waarschijnlijker wanneer klachten steeds terugkeren bij dezelfde werkzaamheden of blootstellingen.
Let bijvoorbeeld op klachten die:
- ontstaan tijdens het verzorgen van bepaalde dieren;
- erger worden in een specifieke stal of kas;
- optreden bij contact met een bepaald gewas;
- ontstaan tijdens het verwerken van graan;
- verergeren bij het werken met hooi, stro of veevoer;
- vooral optreden tijdens een bepaalde teelt- of oogstperiode;
- begonnen na gebruik van een nieuw product;
- ontstonden na verandering van handschoenen;
- verminderen tijdens langere perioden zonder de betreffende blootstelling.
Verbetering tijdens vrije dagen of vakantie kan een aanwijzing zijn, maar bewijst geen allergie. Ook irritatieve belasting neemt tijdens een periode zonder werk vaak af.
Een werk- en klachtendagboek kan helpen. Noteer enkele weken welke werkzaamheden u uitvoert, welke producten of materialen u gebruikt en wanneer klachten ontstaan.
Maak bij huidklachten ook foto’s op momenten waarop het eczeem duidelijk aanwezig is.
Hoe wordt een beroepsallergie in de agrarische sector onderzocht?
Onderzoek begint met een goede medische en arbeidsgerichte anamnese.
Daarbij wordt onder andere gekeken naar:
- het soort klachten;
- wanneer de klachten begonnen;
- het tijdsverloop na blootstelling;
- specifieke werkzaamheden waarbij klachten optreden;
- veranderingen tussen werkdagen en perioden zonder blootstelling;
- planten en gewassen waarmee u werkt;
- dieren waarmee u contact heeft;
- blootstelling aan graan, hooi, stro en veevoer;
- gebruikte handschoenen;
- reinigings- en desinfectiemiddelen;
- gewasbeschermingsmiddelen;
- andere beroepsproducten.
Neem indien mogelijk ook productetiketten, foto’s, ingrediënteninformatie en actuele veiligheidsinformatiebladen mee.
Niet voor iedere plant, mijt, dierlijke stof of ieder werkproduct bestaat een betrouwbare standaardtest. Daarom wordt eerst bepaald welke vraag met allergieonderzoek kan worden beantwoord.
Welke test past bij welke klacht?
Bij een mogelijke directe type I-allergie kan een gerichte huidpriktest en/of specifiek IgE-bloedonderzoek worden overwogen wanneer een geschikte test beschikbaar is.
Een positieve uitslag toont sensibilisatie. Dit bewijst niet automatisch dat het betreffende allergeen de klachten op het werk veroorzaakt.
Bij verdenking op een vertraagde type IV-contactallergie wordt een plakproef gebruikt.
De plakproef kan worden afgestemd op uw werkzaamheden, handschoenen en gebruikte producten. De reacties worden op meerdere momenten beoordeeld, omdat een type IV-contactallergische reactie vertraagd ontstaat.
Een plakproef heeft duidelijke grenzen:
- een plakproef onderzoekt geen directe type I-allergie;
- een plakproef stelt geen beroepsastma vast;
- een plakproef toont irritatief eczeem niet aan;
- een negatieve plakproef sluit werkgerelateerde huidklachten niet uit;
- een positieve reactie moet altijd op klinische relevantie worden beoordeeld.
Werkproducten, planten of chemicaliën mogen niet zonder medische beoordeling rechtstreeks op de huid worden getest.