Huisstofmijtallergie is een allergische reactie op bepaalde eiwitten van de huisstofmijt, een piepklein beestje dat met het blote oog niet te zien is en in bijna elk huis voorkomt. Deze mijten leven vooral van huidschilfers van mensen en dieren en voelen zich het meest thuis in warme, vochtige plekken zoals matrassen, kussens en tapijten.
Bij mensen met een aanleg voor een allergie reageert het immuunsysteem (het verdedigingssysteem van het lichaam) overdreven sterk op kleine deeltjes van de huisstofmijt. Die deeltjes, zoals uitwerpselen en stukjes van het mijtlichaam, worden “allergenen” genoemd. Wanneer iemand deze allergenen inademt, herkent het afweersysteem ze ten onrechte als gevaarlijk. Daardoor komen stoffen vrij zoals histamine, die zorgen voor de typische allergische klachten: een verstopte of jeukende neus, niesbuien, een loopneus en tranende, geïrriteerde ogen. Deze klachten lijken sterk op hooikoorts, maar er is één groot verschil: huisstofmijten zijn het hele jaar door aanwezig.
Huisstofmijtallergie kan ook astma verergeren of zelfs aanvallen uitlokken bij mensen die daar gevoelig voor zijn. Sommige patiënten merken dat hun ademhaling moeilijker wordt of dat ze meer gaan hoesten als ze in een stoffige slaapkamer slapen. Daarnaast is bekend dat huisstofmijtallergie kan bijdragen aan chronische bijholteontsteking en in sommige gevallen ook aan eczeem.
Omgevingsfactoren in huis
Huisstofmijten voelen zich het meest thuis op plekken waar veel huidschilfers van mensen of dieren liggen, dat is namelijk hun belangrijkste voedselbron. Geen verrassing dus dat ze vooral in bedden voorkomen: in matrassen, kussens en dekbedden. Daar brengen we veel tijd door, waardoor er een constante aanvoer van huidschilfers is. Ook tapijten, vloerkleden, gestoffeerde meubels en knuffels zijn echte verzamelplaatsen voor stof en dus voor huisstofmijten. Op gladde vloeren, zoals hout, laminaat of tegels, blijft stof minder makkelijk hangen en is het eenvoudiger te verwijderen. Tapijt daarentegen houdt niet alleen stof, maar ook vocht vast, bijvoorbeeld na dweilen of bij een hoge luchtvochtigheid. Dat maakt het een ideale broedplaats voor zowel mijten als schimmels.
Daarom wordt mensen met huisstofmijtallergie vaak aangeraden om geen tapijt in de slaapkamer te leggen, en te kiezen voor gladde, goed te reinigen vloeren. Regelmatig stofzuigen met een HEPA-filter (een speciaal fijnstoffilter dat ook kleine deeltjes vasthoudt) helpt om de hoeveelheid allergenen in huis te verminderen. Daarnaast is het verstandig om stofnesten te vermijden: denk aan stapels spullen, veel kussens of knuffels op bed, alle plekken waar stof zich gemakkelijk ophoopt.
Huisstofmijten drinken geen water, maar nemen vocht op uit de lucht. Ze hebben dus een vrij vochtige omgeving nodig om te overleven. De ideale omstandigheden voor huisstofmijten liggen rond een luchtvochtigheid van 55–75% en een temperatuur van ongeveer 20–25°C. In een droge en goed geventileerde woning hebben de mijten het echter moeilijk. Als de luchtvochtigheid onder de 50% zakt, kunnen ze zich nauwelijks voortplanten of in leven blijven.
Onderzoek laat zien dat huizen met slechte ventilatie en hoge luchtvochtigheid veel meer huisstofmijtallergenen bevatten dan goed geventileerde woningen. Voldoende frisse lucht is dus essentieel. Door regelmatig ramen open te zetten, ventilatieroosters schoon te houden of een mechanisch ventilatiesysteem te gebruiken, verlaag je de hoeveelheid vocht én stof in huis en daarmee ook het aantal mijten.
💡 Tip: Houd de luchtvochtigheid binnenshuis rond of onder de 50%. Een hygrometer (een klein meetapparaatje) laat je eenvoudig zien hoe vochtig het binnen is. Is het te hoog? Zet dan wat vaker een raam open of gebruik een luchtontvochtiger, vooral in vochtige ruimtes zoals de badkamer na het douchen.
Zo creëer je een leefklimaat waarin jij beter ademt en waarin de huisstofmijt zich juist niet thuis voelt.
Werken speciale matrashoezen echt?
Omdat de slaapkamer, en vooral het bed, een broedplaats is voor huisstofmijten, bestaan er speciale allergeendichte matrashoezen (en kussenhoezen). Deze hoezen zijn gemaakt van een fijn geweven stof of een gelamineerd membraan dat moet voorkomen dat mijten en hun allergenen uit het matras kunnen ontsnappen. In theorie vormt zo’n hoes dus een beschermende barrière tussen de slaper en de allergenen, waardoor je ’s nachts minder wordt blootgesteld aan stoffen die klachten kunnen veroorzaken. Veel allergologen raden hun patiënten dan ook aan om dit uit te proberen.
Maar wat zegt de wetenschap hierover?
Uit onderzoek blijkt dat allergeendichte hoezen de hoeveelheid mijtallergeen in beddengoed daadwerkelijk verminderen. Toch vertaalt dat zich niet altijd in merkbaar minder klachten wanneer dit de enige maatregel is. Een grote Cochrane-review (een analyse die resultaten uit meerdere wetenschappelijke studies samenvoegt) concludeerde dat het alleen gebruiken van een matrashoes waarschijnlijk weinig tot geen klinisch voordeel oplevert. Anders gezegd: mensen die enkel hun matras omhullen maar verder niets veranderen (zoals ventileren, schoonmaken of medicijnen gebruiken) merkten vaak nauwelijks verschil in hun neusklachten, astma of slaapkwaliteit.
Dat betekent niet dat matrashoezen zinloos zijn. Dezelfde review benadrukte dat een combinatie van maatregelen het beste werkt. Denk aan een matrashoes in combinatie met regelmatig schoonmaken, goed ventileren, luchtfilters, of acariciden (middelen die mijten doden). In dat grotere geheel kan een hoes een waardevolle bijdrage leveren aan het verlagen van de blootstelling aan allergenen.
De matrashoezen brengen welk enkele nadelen met zich mee. Sommige mensen ervaren dat ze minder lekker slapen door het geluid (geritsel of gekraak bij beweging) of het gevoel van het materiaal, vooral bij hoezen met een plastic-achtig membraan. Daarnaast kunnen ze wat warmer of klammer aanvoelen, zeker bij mensen die het snel warm hebben of last hebben van eczeem, waarbij warmte en zweet jeuk kunnen verergeren.
Nieuwere behandelingen en benaderingen
Omdat maatregelen in huis, zoals schoonmaken, ventileren en matrashoezen, vaak niet genoeg zijn om de klachten helemaal onder controle te krijgen, wordt bij huisstofmijtallergie ook gekeken naar medische behandelingen die de allergie zelf aanpakken. De klassieke medicijnen, zoals antihistaminica (tabletjes die allergische reacties verminderen) en corticosteroïd-neussprays (ontstekingsremmende sprays voor de neus), kunnen de klachten goed verlichten. Ze pakken echter alleen de symptomen aan, niet de oorzaak. Dat betekent dat ze steeds opnieuw gebruikt moeten worden om klachtenvrij te blijven.
Een behandeling die dieper ingrijpt, is immunotherapie. Hierbij wordt het immuunsysteem als het ware getraind om minder heftig te reageren op de stoffen van de huisstofmijt die de allergie veroorzaken (de zogenaamde allergenen).
De behandeling tegen huisstofmijtallergie is de afgelopen jaren sterk verbeterd. Uit wetenschappelijke studies blijkt dat een dagelijkse huisstofmijt-tablet onder de tong duidelijke voordelen kan geven bij mensen met allergische rhinitis. Patiënten hadden minder neusklachten, minder behoefte aan medicijnen en gaven aan een betere kwaliteit van leven te ervaren. Immunotherapie vraagt wel wat geduld. Het effect bouwt zich langzaam op, vaak pas na zes tot twaalf maanden merkbaar, maar kan daarna jarenlange verlichting geven, omdat de oorzaak van de allergie wordt aangepakt in plaats van alleen de symptomen.
Bespreek met je arts of allergoloog of je hiervoor in aanmerking komt. Immunotherapie wordt meestal aangeraden bij matige tot ernstige klachten die je dagelijks leven beïnvloeden en wanneer gewone medicijnen of aanpassingen in huis niet genoeg helpen.
Probiotica: een nieuw en interessant onderzoeksgebied
Naast klassieke behandelingen kijken onderzoekers ook naar probiotica, dat zijn gezonde bacteriën die van nature in onze darmen voorkomen en een belangrijke rol spelen in het afweersysteem. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de vraag of het aanpassen van de darmflora (de bacteriesamenstelling in de darmen) het immuunsysteem minder gevoelig kan maken voor allergenen.
Voor sommige aandoeningen, zoals eczeem bij baby’s, is er al enig bewijs dat probiotica kunnen helpen. Bij allergische neusklachten of astma is dat bewijs nog beperkt, maar de eerste resultaten zijn veelbelovend. Een interessant voorbeeld is een kleine studie uit 2017, waarin mensen met huisstofmijtallergie matrashoezen met probiotica gebruikten. Deze hoezen waren geïmpregneerd met goede bacteriën (zoals Bacillus-soorten) die de mijten zouden beconcurreren of hun allergenen minder schadelijk zouden maken. De deelnemers die op deze hoezen sliepen, hadden minder klachten en een betere nachtrust dan de controlegroep met gewone hoezen. Opvallend genoeg bleef de hoeveelheid mijten in het matras gelijk, wat suggereert dat de probiotische bacteriën niet de mijten zelf verwijderden, maar mogelijk de reactie van het immuunsysteem positief beïnvloedden. Dit resultaat moet nog bevestigd worden in grotere onderzoeken, maar het opent de deur naar een nieuwe manier van allergiebehandeling. Het microbioom, de verzamelnaam voor alle micro-organismen in ons lichaam, lijkt een belangrijke sleutel te zijn in hoe ons immuunsysteem reageert op allergenen. In de toekomst kan dit leiden tot nieuwe behandelingen, maar voorlopig geldt: gebruik probiotica alleen als aanvulling en niet als vervanging van reguliere therapie. Overleg altijd met je arts voordat je hiermee begint.
Kleine studies tonen dus soms verbetering van allergische klachten, maar het bewijs is nog niet sterk genoeg om dit standaard aan te raden.
Verrassende inzichten uit recent onderzoek
Allerlei onderzoeken blijven nieuwe weetjes en aandachtspunten aan het licht brengen rondom huisstofmijtallergie. Enkele opvallende of minder bekende inzichten op een rij:
De kennis over huisstofmijtallergie blijft zich ontwikkelen. Nieuwe onderzoeken brengen regelmatig verrassende inzichten aan het licht, van praktische huishoudtips tot onverwachte verbanden in het immuunsysteem. Hieronder lees je enkele van de meest interessante en minder bekende bevindingen.
- Ventilatie maakt echt verschil. Dat ventileren belangrijk is, wist je misschien al, maar onderzoek bevestigt hoe groot dat verschil kan zijn. Huizen met een goede luchtverversing en een lage luchtvochtigheid bevatten aantoonbaar minder huisstofmijten en allergenen. In slecht geventileerde slaapkamers, waar de lucht nauwelijks wordt ververst, wordt juist meer mijtallergeen in het stof gevonden. Regelmatig ramen openen of een ventilatiesysteem gebruiken is dus geen overbodige luxe, maar een eenvoudige en bewezen manier om de hoeveelheid allergenen in huis te verlagen. Zelfs 15 minuten per dag luchten kan al helpen om de binnenlucht frisser en droger te houden.
- Kamerplanten zijn geen wondermiddel. Er leeft een hardnekkig idee dat kamerplanten de lucht zuiveren en allergenen verwijderen. Helaas geldt dat niet voor huisstofmijtallergie. Planten verbeteren de luchtkwaliteit binnenshuis nauwelijks als het om stof gaat. Sterker nog: ze kunnen het probleem soms verergeren. Te natte potgrond kan bijvoorbeeld schimmels laten groeien en schimmelsporen zijn óók allergenen. Bovendien verzamelen plantenbladeren stof. Als je ze beweegt of afstoft, komt dat stof (met mogelijk mijtallergeen) weer in de lucht terecht. Ook de plant zelf kan pollen of geurstoffen afgeven die bij gevoelige mensen klachten veroorzaken. Kortom: een groene kamer is gezellig, maar geen oplossing tegen huisstofmijt. Wil je toch planten in huis? Kies dan voor weinig stoffige soorten en maak de bladeren regelmatig schoon met een vochtige doek. Temperatuur en extreme maatregelen
Huisstofmijten houden van warmte en vocht, maar kunnen niet overleven bij extreme temperaturen. Dat kun je slim in je voordeel gebruiken:
- Hete temperaturen: Was je beddengoed wekelijks op 60°C of hoger. Daarmee dood je vrijwel alle mijten. Ook knuffels of dekbedden die in de wasmachine kunnen, zijn na een hete wasbeurt weer schoon. Voor spullen die niet in de wasmachine passen, kun je ze ook 10 minuten in de wasdroger op hoge stand doen.
- Koude temperaturen: Mijten kunnen niet tegen vrieskou. Door niet-wasbare spullen, zoals knuffels of sierkussens, 24–48 uur in de vriezer te leggen, verdwijnen de meeste mijten.
- Droogte: Huisstofmijten hebben vocht nodig om te overleven. Bij een lage luchtvochtigheid (onder 40–50%) drogen ze uit en sterven of raken ze in een soort rusttoestand.
Post-nasal drip
Een minder bekende, maar veelvoorkomende klacht bij huisstofmijtallergie is de zogeheten post-nasal drip: slijm dat via de achterkant van de neus naar de keel loopt. De allergenen van de mijt zorgen voor een ontstekingsreactie in het neusslijmvlies, waardoor er meer en dikker slijm wordt aangemaakt. Dat slijm kan niet goed via de neus worden afgevoerd en zakt naar achteren. Gevolg: een brokgevoel in de keel, een kriebelhoest of keelpijn, vooral ’s nachts. Probeer het hoofd iets omhoog te leggen tijdens het slapen om de klachten te verminderen.
Kruisallergie met zeevruchten
Een minder bekend maar fascinerend feit: mensen met huisstofmijtallergie kunnen soms ook allergisch reageren op schaaldieren, zoals garnalen, krab of mosselen.
Dat komt doordat de eiwitten van de huisstofmijt sterk lijken op die van sommige zeedieren, vooral het eiwit tropomyosine, dat in zowel mijten als schaaldieren voorkomt. Het immuunsysteem kan deze stoffen door elkaar halen, waardoor iemand met huisstofmijtallergie bij het eten van garnalen jeuk, galbulten of zelfs benauwdheid kan krijgen. Gelukkig gebeurt dit niet bij iedereen, maar het is goed om hiervan op de hoogte te zijn. Merk je dat je op zeevruchten reageert en je hebt huisstofmijtallergie? Meld dit dan aan je arts of allergoloog. Andersom komt het ook voor: mensen met een garnalenallergie hebben vaker antistoffen tegen huisstofmijt, al geeft dat niet altijd klachten. Het is een mooi voorbeeld van hoe verbazingwekkend complex het immuunsysteem is: een piepkleine mijt in ons bed en een garnaal op ons bord blijken soms verrassend veel op elkaar te lijken in de ogen van ons afweersysteem.
Bronnen
Berings, M., Jult, A., Vermeulen, H., De Ruyck, N., Derycke, L., Ucar, H., Ghekiere, P., Temmerman, R., Ellis, J., Bachert, C., Lambrecht, B. N., Dullaers, M., & Gevaert, P. (2017). Probiotics-impregnated bedding covers for house dust mite allergic rhinitis: A pilot randomized clinical trial. Clinical & Experimental Allergy, 47(8), 1092–1096. https://doi.org/10.1111/cea.12937
Cummings, B. E., & Waring, M. S. (2019). Plants are not effective in removing indoor air pollutants—A review. Journal of Exposure Science & Environmental Epidemiology, 30, 197–206. https://doi.org/10.1038/s41370-019-0347-5
Kalayci, O., et al. (2022). The role of environmental allergen control in the management of asthma. World Allergy Organization Journal, 15(4), 100634. https://www.worldallergyorganizationjournal.org/article/S1939-4551(22)00010-2/fulltext
McDonald, L. G., & Tovey, E. R. (1992). The role of water temperature and laundry procedures in reducing house dust mite populations and allergen content of bedding. Journal of Allergy and Clinical Immunology, 90(4), 599–608. https://doi.org/10.1016/0091-6749(92)90132-L
Nolte, H., Bernstein, D. I., Nelson, H. S., Kleine-Tebbe, J., Sussman, G., Seitzberg, D., Zieglmayer, P., & Creticos, P. S. (2016). Efficacy of house dust mite sublingual immunotherapy tablet in North American adults with allergic rhinitis/rhinoconjunctivitis. Journal of Allergy and Clinical Immunology, 138(6), 1631–1638.e1. https://doi.org/10.1016/j.jaci.2016.06.061
Okubo, K., et al. (2021). Efficacy and safety of a 300 IR house dust mite sublingual immunotherapy tablet in adults with allergic rhinitis: A randomized, placebo-controlled trial. Journal of Allergy and Clinical Immunology: In Practice, 9(7), 2684–2692. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34126249/
Portnoy, J., Miller, J. D., Williams, P. B., Chew, G. L., Miller, J. D., Zaitoun, F., … Barnes, C. (2013). Environmental assessment and exposure control of dust mites: A practice parameter. Annals of Allergy, Asthma & Immunology, 111(6), 465–507.e38. (Open-access version) https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC5156485/ PMC
Sheikh, A., Hurwitz, B., Nurmatov, U., & van Schayck, C. P. (2021). House dust mite avoidance measures for perennial allergic rhinitis. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2021(8), CD001563. https://doi.org/10.1002/14651858.CD001563.pub4
Sun, Y., Hou, J., Li, D., et al. (2022). A study on associations of house dust mite allergen levels and cleaning/ventilation. Indoor Air, 32(6), e13084. https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/ina.13084 Wiley Online Library
Terreehorst, I., Oosting, A. J., Tempels-Pavlica, Z., de Monchy, J. G., Bruijnzeel-Koomen, C. A., Hak, E., & Aalberse, R. C. (2003). Evaluation of impermeable covers for bedding in patients with allergic rhinitis. The New England Journal of Medicine, 349(3), 237–246. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/12867607/
Warner, J. A., Frederick, J. M., Bryant, T. N., Weich, C., Raw, G. J., Hunter, C., Stephen, F. R., McIntyre, D. A., & Warner, J. O. (2000). Mechanical ventilation and high-efficiency vacuum cleaning: A combined strategy of mite and mite-allergen control. Journal of Allergy and Clinical Immunology, 105(1), 75–82. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/10629456/ PubMed
Woodcock, A., Forster, L., Matthews, E., Martin, J., Letley, L., Vickers, M., Britton, J., Strachan, D., Howarth, P., Altmann, D., Frost, C., & Custovic, A. (2003). Control of exposure to mite allergen and allergen-impermeable bed covers for adults with asthma. The New England Journal of Medicine, 349(3), 225–236. https://doi.org/10.1056/NEJMoa023175
Wong, L., Huang, C. H., & Lee, B. W. (2016). Shellfish and house dust mite allergies: Is the link tropomyosin? Allergy, Asthma & Immunology Research, 8(2), 101–106. https://doi.org/10.4168/aair.2016.8.2.101
Aggarwal, P., & Kroumpouzos, G. (2023). Dust Mite Allergy. In StatPearls. StatPearls Publishing. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/NBK560718/
Howieson, S. G., Lawson, A., & McSharry, C. (2003). Domestic ventilation rates, indoor humidity and dust mite allergens—Are our homes causing the asthma pandemic? Building Services Engineering Research and Technology, 24(2), 137–147. https://journals.sagepub.com/doi/10.1191/0143624403bt067oa