De patchtest is de belangrijkste test om uit te zoeken of iemand allergisch contacteczeem heeft en, nog belangrijker, door welke stof dat komt. Bij deze test worden kleine hoeveelheden van mogelijke allergenen op de huid aangebracht, meestal op de bovenrug. De stoffen zitten in een geschikte concentratie en meestal in vaseline, zodat ze goed op de huid getest kunnen worden. De pleisters blijven meestal 48 uur zitten. Daarna worden de testplekken niet maar één keer bekeken, maar op meerdere momenten, vaak op dag 2, dag 3 of 4 en ook nog op dag 7. Dat is belangrijk, omdat sommige allergische reacties pas later goed zichtbaar worden.
De arts let daarbij op tekenen van eczeem, zoals roodheid, verdikking van de huid, bultjes of kleine blaasjes. Die reacties worden volgens vaste internationale criteria beoordeeld: soms is een reactie twijfelachtig, soms licht positief en soms duidelijk of sterk positief. Er kunnen ook andere patronen zichtbaar zijn, bijvoorbeeld een reactie rond de haarzakjes of juist een plek die meer op irritatie lijkt dan op een echte allergie.
Wat er in de huid gebeurt, is een vertraagde afweerreactie. Kleine stofjes dringen de huid binnen en hechten zich aan huideiwitten. Daardoor gaat het afweersysteem die stof als verdacht zien. Je kunt de huid zien als een muur van bakstenen met cement ertussen: als die huidbarrière niet goed sluit, kunnen kleine stofjes makkelijker naar binnen. Daarna komen afweercellen in actie. Bij een contactallergie spelen vooral geheugencellen van het afweersysteem een belangrijke rol. Die “herkennen” een stof van eerdere blootstelling en zorgen ervoor dat er na 48 tot 72 uur ontstekingsstoffen vrijkomen. Daardoor ontstaat op die plek een lichte of juist hevige eczeemreactie.
Onder de microscoop ziet zo’n positieve reactie er ook uit als eczeem. Er zit dan vocht tussen de huidcellen, er zijn ontstekingscellen in de opperhuid zichtbaar en soms ontstaan er kleine blaasjes. Ook kan er een oppervlakkige ontsteking rond kleine bloedvaatjes te zien zijn.
De uitslag van een patchtest moet wel zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Een rode plek is namelijk niet automatisch een allergie. Soms is er sprake van irritatie in plaats van een echte allergische reactie. Zo’n irritatieve reactie is vaak scherper begrensd en minder duidelijk verdikt. Ook twijfelachtige reacties en reacties rond haarzakjes moeten apart beoordeeld worden. Daarnaast moet een arts letten op kruisreacties: stoffen die op elkaar lijken kunnen soms allebei reactie geven. Denk bijvoorbeeld aan nikkel en kobalt. En zelfs als een test positief is, blijft de belangrijkste vraag: past deze uitslag echt bij de klachten van nu, of gaat het om een oude/toevallige gevoeligheid die op dit moment geen rol speelt?
Als er een relevante allergie wordt gevonden, krijgt de patiënt advies om die stof te vermijden. Dat kan heel praktisch zijn, bijvoorbeeld overstappen op nikkelarme sieraden of producten zonder een bepaalde conserveerstof of geurstof. Als ondanks de patchtest nog niet duidelijk is welke stof de klachten veroorzaakt, kan soms een test met een eigen product extra duidelijkheid geven.
Indicaties en voorbereiding
Een patchtest wordt gedaan als er een vermoeden is van een contactallergie. Dat is bijvoorbeeld het geval bij eczeem dat steeds terugkomt op de handen, in het gezicht of op een andere plek op het lichaam, vooral als er een duidelijke relatie lijkt te zijn met bepaalde producten of stoffen. Ook langdurig eczeem dat opknapt wanneer iemand iets vermijdt, bijvoorbeeld op het werk, kan een reden zijn om te testen. Soms wordt een patchtest ook overwogen bij klachten van slijmvliezen, zoals aan de ogen, in de mond of in de schaamstreek, als er gedacht wordt aan een vertraagde allergische reactie.
Vooraf krijgen patiënten duidelijke instructies. De huid waarop getest wordt, meestal de bovenrug, moet rustig zijn en mag van tevoren niet behandeld worden met hormoonzalven. De huid moet schoon en droog blijven. Het is ook beter om het testgebied niet vlak voor het onderzoek te scheren, omdat dat de huid extra kan prikkelen. Tijdens de testperiode is het belangrijk om de pleisters goed te laten zitten. Daarom krijgen patiënten het advies om niet te douchen, niet fel in de zon te gaan, niet intensief te sporten en geen kleding te dragen die over de pleisters schuurt of ze los kan trekken. Zo blijft alles goed op zijn plaats en is de uitslag betrouwbaarder.
Sommige mensen hebben naast een verdenking op een contactallergie ook klachten die meer passen bij een directe allergische reactie, zoals contacturticaria of inhalatie-allergie. In dat geval kan aanvullend ook een priktest of soms een andere test worden overwogen.
Testmaterialen: vehicle en concentraties
De stoffen die bij een patchtest worden onderzocht, worden niet zomaar op de huid geplakt. Ze worden heel precies klaargemaakt in een geschikte drager (vehicle), zodat de test zo betrouwbaar mogelijk is. Meestal is dat vaseline voor stoffen die goed mengen met vet, en water voor stoffen die daarin juist beter oplossen. Je kunt zo’n drager zien als het “vervoermiddel” van de teststof: die zorgt ervoor dat het allergeen goed op de huid terechtkomt en daar op een gecontroleerde manier contact maakt.
De juiste concentratie is daarbij ontzettend belangrijk. Zit er te weinig van een stof in, dan kan een echte allergie gemist worden en krijg je dus een vals-negatieve uitslag. Zit er juist te veel in, dan kan de huid geïrriteerd raken terwijl er helemaal geen echte allergie is. Dan krijg je een vals-positieve of irritatieve reactie. Juist daarom zijn de concentraties van patchteststoffen zorgvuldig vastgesteld op basis van veel ervaring en onderzoek.
In de Europese standaardreeks zitten bijvoorbeeld veel bekende contactallergenen in vaste testconcentraties. Denk aan nikkelsulfaat 5% in vaseline, kobaltzout 1% in vaseline, chromaat 0,5% in vaseline, een parabenenmix 16% in vaseline, formaldehyde 2% in water en methylisothiazolinon 0,2% in water. Voor patiënten lijkt dat misschien technisch detail, maar het is precies dit soort nauwkeurigheid dat patchtesten waardevol maakt: niet zomaar “iets op de huid proberen”, maar heel gericht en gecontroleerd testen met stoffen in een concentratie die sterk genoeg is om allergie op te sporen, maar het liefst niet zo sterk dat de huid alleen maar geïrriteerd raakt.
Patchtestseries
Een patchtest begint meestal met een standaardserie. Deze serie wordt bij vrijwel iedereen met een verdenking op een contactallergie gebruikt als eerste stap. Zo’n standaardreeks vangt een groot deel van de meest voorkomende boosdoeners op, maar niet alles. Je kunt het zien als een brede basiscontrole: heel nuttig, maar soms niet genoeg om het hele verhaal boven tafel te krijgen.
Daarom worden er vaak extra testseries toegevoegd als daar aanleiding voor is. Dat hangt vooral af van de klachten, het werk, hobby’s en de producten waarmee iemand in aanraking komt. Bij verdenking op een allergie voor cosmetica kan bijvoorbeeld een cosmeticareeks worden toegevoegd, met extra geurstoffen, conserveermiddelen, haarkleurstoffen en uv-filters. Bij kappers wordt vaak ook getest op stoffen zoals persulfaten en PPD, omdat die in blondeer- en haarverfproducten veel voorkomen. Bij een vermoeden van een rubberallergie kan een rubberserie nodig zijn, met stoffen zoals thiuramen, mercaptobenzothiazolen en carbamaten. En in andere beroepen kunnen weer heel andere stoffen belangrijk zijn, zoals epoxyharsen, isocyanaten of bestanddelen uit cement.
Juist daarom is de anamnese zo belangrijk. Niet alleen de plek van het eczeem telt, maar ook het verhaal erachter: wat doet iemand voor werk, welke handschoenen worden gebruikt, welke haarproducten, schoonmaakmiddelen, lijmen, verven of huidproducten komen regelmatig op de huid? Soms zit de oorzaak namelijk niet in een bekende standaardstof, maar in een meer verborgen of onverwachte blootstelling uit het dagelijks leven of beroep. De keuze voor extra allergenen is dus maatwerk. Dat maakt patchtesten veel sterker dan alleen een standaardlijst afwerken: hoe beter de blootstelling in kaart wordt gebracht, hoe groter de kans dat de echte oorzaak gevonden wordt.
Toepassingstechniek en occlusie
De patchtest wordt meestal op de bovenrug aangebracht. Dat is niet voor niets: de huid daar is vrij vlak, er is genoeg ruimte en de plek komt meestal minder in contact met zonlicht dan bijvoorbeeld de armen. Als de rug niet goed gebruikt kan worden, kan soms worden uitgeweken naar de bovenarmen of benen, maar de rug heeft meestal de voorkeur.
De teststoffen worden in kleine hoeveelheden in speciale testkamertjes gedaan. Dat zijn kleine ronde of vierkante vakjes op een huidvriendelijke pleister. Elk vakje bevat één specifieke stof. Alles wordt heel zorgvuldig genummerd, zodat later precies bekend is welke stof op welke plek heeft gezeten. In veel centra worden vaak ongeveer 35 tot 36 stoffen getest. Dat is een veelgebruikte basis. Wij testen breder, gemiddeld ongeveer 60 tot 120 stoffen, afhankelijk van het verhaal van de patiënt. Dat doen we bewust, omdat we de kans zo groot mogelijk willen maken dat we de echte oorzaak vinden. Daarbij gebruiken we naast de standaardreeks vaak ook aanvullende routinereeksen, parfumreeksen, conserveermiddelenreeksen, emollientiareeksen, beroepsspecifieke reeksen, metaalreeksen en acrylaatreeksen, afhankelijk van de klachten, het werk, hobby’s en de producten waarmee iemand in aanraking komt.
Daarna blijven de pleisters 48 uur zitten, dus twee volle dagen. Dat heet occlusie: de stof blijft afgesloten tegen de huid aan zitten. Juist dat is belangrijk, omdat de huid dan genoeg tijd krijgt om op een mogelijke allergie te reageren. Als de contacttijd te kort is, kan een allergie gemist worden. Voor sommige stoffen, zoals nikkel, is die volledige testduur extra belangrijk om een reactie goed zichtbaar te maken.
Tijdens die twee dagen moet de patiënt de pleisters zo goed mogelijk laten zitten. Daarom wordt aangeraden om losse kleding te dragen en zweten, sporten, douchen en wrijving op de rug zoveel mogelijk te vermijden. Alles draait erom dat de test netjes op zijn plaats blijft en de huid niet onnodig wordt verstoord. Na twee dagen worden de pleisters verwijderd en volgt de eerste beoordeling van de huid. Dan begint het echte aflezen pas.
Aflezingsschema en classificatie
Een patchtest lees je niet maar één keer af. Dat is juist een van de belangrijkste punten van dit onderzoek. Contactallergie is namelijk een vertraagde afweerreactie. De huid laat dus vaak pas na verloop van tijd goed zien of er echt sprake is van allergie. Het eerste afleesmoment is direct nadat de pleisters worden verwijderd, na ongeveer 48 uur: dat is dag 2, oftewel D2. Daarna volgt meestal nog een tweede beoordeling op dag 3 of 4, en bij voorkeur ook een derde op dag 7. Die late aflezing is belangrijk, omdat sommige allergenen pas laat een duidelijke reactie geven. Zonder zo’n extra controle kunnen relevante allergieën dus gemist worden.
Bij elk afleesmoment kijkt de arts of assistent heel precies naar het soort huidreactie. Daarvoor wordt een vaste internationale indeling gebruikt. Een negatieve reactie wordt genoteerd als –: er is dan geen zichtbare verandering. Een twijfelachtige reactie wordt genoteerd als +/– of ?: er is dan bijvoorbeeld alleen wat lichte roodheid, maar nog geen duidelijke kenmerken van eczeem. Een zwak positieve reactie heet +1 of +: er is roodheid, lichte zwelling of verdikking en vaak ook kleine bultjes. Een duidelijk positieve reactie heet +2 of ++: de roodheid en zwelling zijn dan sterker en er kunnen ook kleine blaasjes ontstaan. Een zeer sterke reactie heet +3 of +++: daarbij is de huid duidelijk heftig ontstoken, met felle roodheid en vaak blaasjes of zelfs kleine blaren.
Niet elke reactie betekent meteen allergie. Soms is er sprake van een irritatieve reactie, vaak afgekort als IR. Zo’n reactie is meestal scherper begrensd, wat glanzender en zit soms vooral langs de rand van de pleister. Vaak voelt of oogt het minder als echt eczeem. Daarnaast bestaan er ook folliculaire reacties, afgekort als Foll. Daarbij zitten de bultjes vooral rond de haarzakjes. Dat zie je bijvoorbeeld soms bij bepaalde metaalzouten en dat hoeft niet direct op een echte contactallergie te wijzen.
Het verschil tussen irritatie en allergie is belangrijk. Een irritatieve reactie heeft vaak een strak, lijnvormig patroon en trekt meestal sneller weer weg. Een echte allergische reactie ontwikkelt zich juist meer onder het testvakje zelf en blijft vaak langer zichtbaar. Juist daarom zijn meerdere afleesmomenten zo waardevol: pas in de loop van de dagen wordt vaak duidelijk of een plek echt allergisch is, of toch meer bij irritatie past.
Als de uitslag niet helemaal duidelijk is, kan aanvullend onderzoek helpen. Dan kan bijvoorbeeld een ROAT worden gedaan, een repeated open application test. Daarbij gebruikt iemand een verdacht product gedurende enkele dagen herhaaldelijk op een klein stukje huid, zonder pleister eroverheen. Zo kan duidelijker worden of een stof of product in het dagelijks gebruik echt een eczeemreactie uitlokt. Vooral bij twijfelachtige of grensreacties kan dat extra informatie geven.

Immunopathologie en histologie
Een positieve patchtest laat zien dat de huid een vertraagde allergische reactie geeft, ook wel een type-IV-reactie genoemd. Dat begint niet pas op het moment van testen. Eerder moet het afweersysteem die stof al een keer hebben leren herkennen. Zo’n kleine stof, ook wel hapteen genoemd, dringt de huid binnen en bindt zich daar aan huideiwitten. Daardoor ziet het afweersysteem het ineens als iets verdachts. Speciale afweercellen in de huid nemen dat signaal op en geven het door aan andere afweercellen in de lymfeklieren. Daar worden T-cellen als het ware “getraind” om die stof voortaan te herkennen.
Bij een volgende blootstelling, zoals tijdens een patchtest, gaat dat veel sneller. Geheugencellen van het afweersysteem herkennen de stof direct en trekken naar de huid toe. Je kunt dat een beetje zien als een brandalarm dat al eerder is ingesteld: zodra dezelfde prikkel terugkomt, schiet het systeem meteen in actie. Deze geheugencellen geven ontstekingsstoffen af en roepen andere afweercellen op om mee te doen. Daardoor ontstaat op die plek een eczeemreactie, die mild kan zijn maar soms ook heel duidelijk en heftig.
In de huid zelf gebeurt dan van alles. In de opperhuid ontstaat spongiose: dat betekent dat er vocht ophoopt tussen de huidcellen, waardoor de huid als het ware wat sponsachtig wordt. Als dat sterker wordt, kunnen er kleine blaasjes ontstaan. Tegelijk trekken afweercellen de opperhuid in en ontstaat er ook een ontstekingsreactie iets dieper in de huid, rond de kleine bloedvaatjes. Daar zie je vooral lymfocyten en macrofagen, en soms ook andere ontstekingscellen. Macrofagen kun je zien als kleine Pacmannetjes: ze ruimen op, nemen signalen waar en helpen de afweerreactie op gang te houden.
Bij een echt allergische reactie zijn vaak duidelijke ontstekingscellen aanwezig en soms ook eosinofielen, een type afweercel dat je geregeld bij allergische ontsteking terugziet. Naarmate het eczeem langer bestaat of al wat aan het uitdrogen is, verandert ook het beeld in de huid. De opperhuid wordt dan dikker en grover. Dat is eigenlijk een reactie van de huid op aanhoudende ontsteking en krabben: de huid probeert zich te verdedigen, maar wordt daardoor ook stugger en minder rustig van structuur.
Kort gezegd laat een positieve patchtest dus niet alleen een rood plekje op de huid zien, maar weerspiegelt het een heel afweerproces dat zich stap voor stap in de huid afspeelt. Eerst herkennen geheugencellen de stof, daarna komen ontstekingssignalen vrij, en vervolgens ontstaat het eczeembeeld dat je aan de buitenkant kunt zien.
Vervolg en behandeling
Als een patchtest laat zien dat iemand echt allergisch is voor een stof, en die uitslag past ook bij de klachten, dan volgt gericht advies om die stof zoveel mogelijk te vermijden. Dat is eigenlijk de belangrijkste stap in de behandeling. Bij een nikkelallergie kan dat bijvoorbeeld betekenen dat iemand beter nikkelarme sieraden draagt of metalen drukkers en knopen afschermt. Bij een allergie voor epoxy kan het nodig zijn om met andere lijmen of materialen te werken. Het doel is steeds hetzelfde: zorgen dat de huid niet opnieuw met de veroorzakende stof in aanraking komt.
Soms is een test wel positief, maar blijft het nog onduidelijk in welk product of in welke situatie die stof precies voorkomt. Dan kan een aanvullende gebruikstest helpen, bijvoorbeeld een ROAT, een repeated open application test. Daarbij brengt de patiënt een verdacht product een aantal dagen achter elkaar zelf aan op een klein stukje huid, meestal op de onderarm. Zo kan worden gekeken of dat product in de praktijk ook echt een eczeemreactie uitlokt. Als het product inderdaad de boosdoener is, ontstaat vaak een reactie die lijkt op de oorspronkelijke klachten.
De verdere behandeling lijkt in grote lijnen op de behandeling van ander eczeem. Bij een opvlamming kunnen verzachtende maatregelen helpen, zoals vette crèmes om de huid te kalmeren en jeuk te verminderen. Daarnaast worden vaak ontstekingsremmende middelen gebruikt, zoals hormoonzalven of soms calcineurineremmers. Die helpen om de huid rustig te krijgen, maar lossen de oorzaak niet op.
Daar zit precies het belangrijkste verschil: bij een contactallergie is het niet genoeg om alleen het eczeem te smeren. De echte winst zit in het opsporen en wegnemen van de veroorzakende stof. Als dat lukt, knapt de huid vaak pas echt blijvend op. Anders blijft het een beetje dweilen met de kraan open.
Anders dan bij sommige inhalatieallergieën bestaat er voor contactallergie geen praktische vorm van immunotherapie die in de dagelijkse zorg gebruikt wordt. De behandeling bestaat dus vooral uit twee dingen: het allergeen vermijden en de huid behandelen als er toch eczeem ontstaat.
Veiligheid en contra-indicaties
Patchtesten zijn over het algemeen veilig. De test kan jeuk geven, wat roodheid veroorzaken en soms tijdelijk wat ongemak geven, maar ernstige problemen zijn zeldzaam. Dat maakt het juist zo’n waardevolle test: hij geeft vaak veel informatie, zonder dat er een ingrijpende ingreep nodig is.
Heel soms reageert iemand extra heftig. Er zijn uitzonderlijke gevallen beschreven waarbij tijdens de testperiode een uitgebreider eczeem ontstaat of waarbij blaasjes of blaren optreden. Dat gebeurt vooral bij mensen die al heel sterk gevoelig zijn voor een bepaalde stof. Een ernstige allergische reactie van het directe type, zoals een anafylactische reactie, komt bij patchtesten vrijwel nooit voor. Alleen in heel uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld bij bepaalde stoffen die ook directe allergische reacties kunnen geven, wordt daar extra rekening mee gehouden.
Als iemand op dat moment al heel ernstig en wijdverspreid eczeem heeft, worden patchtesten vaak liever even uitgesteld. Niet omdat de test dan per se gevaarlijk is, maar omdat een onrustige huid de uitslag moeilijker te beoordelen maakt. Je wilt de huid eigenlijk testen op een moment dat die rustig genoeg is om nieuwe reacties goed te kunnen herkennen. Ook als er recent sterke hormoonzalven op de testplek zijn gebruikt, kan dat de uitslag beïnvloeden. Die kunnen een reactie namelijk onderdrukken, waardoor een allergie gemist wordt of de uitslag minder duidelijk is.
Ook kinderen kunnen veilig getest worden. Contactallergie komt namelijk niet alleen bij volwassenen voor. De redenen om te testen zijn in grote lijnen hetzelfde als bij volwassenen, bijvoorbeeld chronisch eczeem of eczeem dat niet goed verklaard kan worden. Wel is bij jonge kinderen de rug kleiner, waardoor er minder stoffen tegelijk getest kunnen worden en soms iets aangepaste materialen nodig zijn.
Bij zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven, is er geen duidelijk bewijs dat patchtesten schadelijk is voor moeder of kind. Toch kiezen artsen er vaak voor om het onderzoek uit voorzorg uit te stellen, zeker als het niet dringend is. Het is tenslotte meestal een planbaar onderzoek. Ook ouderen en mensen met een verminderd afweersysteem kunnen in principe getest worden. Soms reageren zij wat minder heftig, simpelweg omdat hun afweersysteem minder sterk reageert, maar dat betekent niet dat testen niet mogelijk is. Bij hen plannen wij altijd een dag 7 in.
Bronnenlijst
- Johansen JD, Aalto-Korte K, Agner T, Andersen KE, Bircher A, et al. (2015). European Society of Contact Dermatitis guideline for diagnostic patch testing – recommendations on best practice. Contact Dermatitis, 73(4), 195–221. doi:10.1111/cod.12432.
- Funch AB, Geisler C, Menné C. (2025). Allergic Contact Dermatitis: Immunopathology and Potential Therapeutic Strategies. Journal of Clinical Medicine, 14(20), 7175. doi:10.3390/jcm14207175.
- Litchman G., Nair P., Atwater A.R., Bhutta B.S. (2023). Contact Dermatitis.
- Oakley A., Seth G., Sapsford S., Whittaker L. (2023). Baseline series of patch test allergens. DermNet NZ. Beschikbaar via https://dermnetnz.org/topics/baseline-series-of-patch-test-allergens
- Johansen JD, Maibach HI (eds) (2013). Contact Dermatitis. 5e editie. Springer.
- Dhingra N., Fischer T. (2020). False-Positive and Irritant Patch Test Reactions. In: Warshaw EM (ed). Dermatologic Clinics. Contact Dermatitis Supplement, 38(1), S1–S11.
- Emmanuel P., Cheng H. (2013). Eczema (Spongiotic Dermatitis) – Histopathology. DermNet NZ. Beschikbaar via https://dermnetnz.org/topics/eczema-pathology